Ik was erbij: de vlucht

Samen met Karel Dasseville schreef ik het boek Ik was erbij, zijn biografie op basis van teksten van Karel en interviews door mij afgenomen. Karel maakte aquarellen bij herinneringen die ik selecteerde. Enkele fragmenten uit Ik was erbij over de vlucht van de familie Dasseville naar Bretagne kan u hieronder lezen.

Op 12 mei 1940 krijgt mijn zestienjarige broer Raymond een oproepingsbevel om zich onverwijld te melden in Roeselare als rekruteringsreserve van het leger. Hij was een zogenaamde CRAB (meer info). Mijn moeder ziet dit niet zitten. Daarom moet ik als vijftienjarige samen met mijn oudere broer naar Oostende vertrekken om daar bij de familie te zijn. Vader en moeder zullen later met de twee jongere broers de trein nemen naar Oostende. De volgende dag vertrekken we met de fiets zwaar beladen, elk met een grote scheepszak op de bagagedrager. Op de drukbereden wegen zien we vrachtwagens, auto’s en pantservoertuigen van het Belgische, Franse en Britse leger zuidwaarts trekken. In de andere richting gaan talrijke vluchtelingen met fietsen, karren, stootwagens en auto’s over de ruwe kasseien wegen. Het is een echte chaos terwijl nu en dan Duitse vliegtuigen overvliegen.

Dasseville 17

We stoppen voor het eerste in Gent waar we onderdak krijgen bij een oom en tante. De volgende dag terug in het zadel richting Oostende met dezelfde wegobstakels. De luchtaanvallen nemen toe en we moeten dikwijls in grachten en onder bruggen schuilen. Gelukkig is het stralend weer. Bijna bij elk café houden we halt om onze dorst te lessen, waardoor ons zakgeld een deuk krijgt. De metalen reclamepanelen aan gevels krijgen onze bijzondere aandacht. Op de radio heerst immers het gerucht dat de panelen van het merk Chicorée Pacha aan de achterzijde inlichtingen bevatten voor het Duitse leger, zoals de ligging van kazernes of opslagplaatsen voor brandstof. Wij hebben hier niets van gemerkt.

Op 19 mei, als de laatste schepen volgeladen met vluchtelingen uit Oostende zijn vertrokken, besluit mijn vader het bevel van het ministerie om naar Frankrijk of Engeland te varen op te volgen. Samen met de familie en nog een honderdtal vluchtelingen, gaan we rond 13 uur aan boord van de staatssleepboot Zeehond. Die met de onbemande sleepboot nr. 5 op sleeptouw uit de haven vaart.

Langsheen de kust varen we richting Duinkerke waar ons schip om 16u20 voor anker gaat. De ganse kustlijn van de havenstad brandt. De nacht valt en het hevig geschut blijft aanhouden. Ieder zoekt een plekje om te slapen, maar de slaapmogelijkheden aan boord zijn niet eenvoudig. De moeders met jonge kinderen krijgen de stuurhut als slaapplaats. De rest slaapt – of probeert het toch – op de grond en in de doorgangen links en rechts van het schip. De meegenomen kledij wordt als dekens gebruikt. Het ergste zijn de hygiënische toestanden aan boord met slechts twee toiletten voor 108 personen. Enkele kinderen liggen naast elkaar op het verhoogde dek in het midden van het schip, dat afgedekt is door een stevig gespannen zwart zeildoek. Mijn twee jongere broers liggen daar ook, zonder ze beseffen dat het oorlog is. We varen langs de kust richting Duinkerke waar ons schip voor anker gaat. De ganse kustlijn van Duinkerke is aan het branden. De haveninstellingen, de stad en een groot gedeelte van de haven zijn één vuurzee, een echt inferno. We vertrekken op 21 mei om 12 uur verder westwaarts.

De volgende drie nachten ligt het schip voor anker voor de havens van Boulogne, Dieppe en Saint-Valery-en-Caux. Het bombarderen en branden blijft maar duren. Al snel komen we eten en drinken tekort. Buiten een zware zak aardappelen is er geen voedsel aan boord en van de Franse marine mogen we niet naar een van de kusthaventjes varen. De kleine kinderen blijven schreien en vragen om eten. Bij elke aanval van Duitse Stuka’s wordt er gebeden en kruisjes gemaakt. Er is opvallend veel samenhorigheid op ons vluchtelingenschip.

l

Het geluk heeft ons uiteindelijk toch veilig aan wal gebracht. Aan Saint-Valery-en-Caux wordt de sleeptros van sleepboot nr. 5 losgegooid en krijgen we eindelijk toestemming om de haven binnen te gaan om voedsel te kopen. Maar door de aanhoudende bombardementen moet ons schip de Zeehond al snel weer de haven verlaten om er op bevel van Capitain de Corvette Auber te ankeren. We laten een reddingssloep van ons schip te water en enkele mannen roeien dan maar de haven in op zoek naar voedsel.

Na bange uren zien wij de sloep terugkeren, maar op een tweehonderdtal meter van ons schip loopt de sloep vast in het slijk door het terugtrekkende water. Het is laagtij! De jongemannen hebben veel mankracht nodig om de sloep tot bij het schip te trekken. Voedsel en drank worden op het schip opgestapeld en om handtastelijkheden te vermijden, brengt mijn vader als kapitein een eerlijke verdeling van de goederen op gang. Bij vertoon van de paspoorten en het aantal familieleden komt ieder aan de juiste hoeveelheid eten en drinken toe.

reisroute Dasseville

Bij gebrek aan zeekaarten waarop de zeemijnen zijn vermeld, besluit mijn vader om 22u50 het anker te lichten en koers te zetten naar Brest, marinebasis van Frankrijk. Daar komen we op 24 mei om 13u10 aan. Om 16u40 vaart de Zeehond de haven binnen, waarna de vluchtelingen onmiddellijk voet aan wal zetten.

De Franse marine reageert zeer kordaat op onze aankomst. Alle mannen van 16 tot 35 jaar worden tegen een muur gezet. Vrouwen en kinderen worden ingeschreven en krijgen een toewijzing om gehuisvest te worden bij Bretoense gezinnen in Landerneau en Lesneven, het binnenland van Finistère.

Mijn vader in zijn marine-uniform wordt opgemerkt door een kleine maar vinnige man. Hij stelt zich voor als Bréart de Boisanger, vice-admiraal van de Franse marine.

admiraal

Foto: de admiraal

Net als vader vocht hij in de oorlog van ‘14-‘18. De hoge officier stelt voor om ons gezin en dat van een jonge rivierloods onderdak te verschaffen in één van zijn twee kastelen gelegen op een dertigtal kilometers in het klein dorpje Saint-Urbain, waar de admiraal ook burgemeester is. Na een vlotte rit met twee auto’s bestuurd door chauffeurs in groene vestjes met koperen knoppen komen we aan in het vijf eeuwen oude kasteel Kerdaoulas. Het is prachtig gelegen langs een grote dreef. De gastvrouw, een echte butler en enkele dienstmeiden brengen ons na de verwelkoming naar de kasteelvleugel waarover we kunnen beschikken. Het is een droom van een vluchtelingenkamp. We hebben de nodige slaapruimtes, een ruime zitkamer, een grote keuken en goed sanitair. Eten en drinken is er bij overvloed, maar er zijn regels aan verbonden.

Advertisements

2 gedachtes over “Ik was erbij: de vlucht

  1. Ik was twee jaar als de oorlog Belgie overspoelde. Horen zeggen,van mijn ouders,zijn ik mijn moeder en waarschijnlijk grootouders gevlucht naar frankrijk tot bordeaux met de trein.Nergens is daar een aanwijzing voor te vinden.Meerdere vluchtelingen zullen wel op die trein(en) gezeten hebben.We zouden vertrokken zijn in lier.Hebt u daar ergens verhalen over vernomen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s