In de vroege avond van 24 december 1944 trof een Duitse torpedo het Belgische schip Leopoldville. Voor bijna achthonderd van haar tweeduizend vijfhonderd opvarenden was alle hoop verloren. In het koude en ruwe water van het Kanaal, werden ze meegesleurd naar de bodem van de zee. Anderen vroren in een mum van tijd dood.

Aan de hand van hun getuigenissen reconstrueer ik in vijf delen die kerstavond die zo afschuwelijk eindigde. Dit is het vijfde en laatste deel, over de nasleep van de ramp.

Lees hier deel 1, deel 2, deel 3 en deel 4 van het verhaal over de Leopoldville.

De harde balans

768 opvarenden kwamen om. Van de 763 Amerikaanse slachtoffers, konden er slechts 248 later geïdentificeerd worden. Van maar liefst 464 is nooit enig spoor teruggevonden. Kapitein Charles Limbor was samen met eerste timmerman André Van de Kerckhove als een van de laatste van boord gegaan. De twee Belgen verdwenen samen met drie Congolese mannen voor altijd tussen de golven. De cijfers hebben steeds onder discussie gestaan. Sommige bronnen beweren dat er 802 soldaten omkwamen. Deze onduidelijkheid is te wijten aan de verwarring rond de passagierslijst van de Leopoldville. De lijst was onnauwkeurig ingevuld en doordat het zinkend schip de meeste lichamen had meegesleurd naar de diepte van de zee, was een degelijke identificatie praktisch onmogelijk.

In de doofpot

De ramp op kerstavond bleef lange tijd onbekend. De Amerikaanse overheid vreesde dat het tragische nieuws de moraal bij de soldaten en op het thuisfront zou doen zinken. Buiten enkele korte meldingen, was er geen echte heisa rond de ramp. Generaal George C. Marshall gaf op 6 januari 1945 toe dat “indien deze ramp in vredestijd was gebeurd, het als een choquerend schandaal beschouwd zou worden.”[1] Toch was het niet de eerste keer dat dergelijke ramp in de doofpot werd gestoken omwille van propagandadoeleinden. Op 25 november 1943 onderging het Britse troepenschip Rohna een gelijkaardig lot. Net na Thanksgiving was het schip in een konvooi vanuit het Noord-Afrikaanse Oran richting India vertrokken. Gedurende enkele uren lag het konvooi onder vuur van Duitse bommenwerpers. Een van deze vliegtuigen dropte een geleide bom in het water die de Rohna trof en een hevige brand veroorzaakte. De evacuatie van tweeduizend soldaten ging ook hier moeizaam. Vele reddingssloepen werden door de brand vernietigd en de overigen waren zo overvol dat ze vaak kapseisden. Na een doodsstrijd van een anderhalf uur zonk de Rohna. 120 crewleden en 1015 Amerikaanse soldaten verloren het leven.[2]

De Belgische schuld?

De getuigen en de officiële rapporten zijn hard voor de bemanningsleden van de Leopoldville. De officieren die na de ramp werden gedebrieft waren duidelijk: “Op geen enkel moment zag ik een lid van de scheepscrew, een officier of een matroos de situatie op een of andere manier controleren”, “We kregen nooit de ordes om het schip te verlaten en de reddingsboten waren nooit uitgelaten door de scheepscrew. Als ze ons hadden verteld dat het schip aan het zinken was, hadden we de meeste mannen via de sloepen kunnen redden”, “Het leek me dat de crew enkel geïnteresseerd was in zichzelf en niemand anders”, “De crew was bezig met hun valiezen te pakken terwijl ze eigenlijk hun post moesten handhaven”.[3] Vooral de Congolese crew laten zich als egoïstisch herinneren. De Belgische bemanningsleden hebben deze beweringen altijd tegengesproken. Daarnaast mag de rol van het bevelhebbende schip HMS Brilliant niet worden onderschat. Toch er duidelijk weinig contact tussen hen en de Amerikaanse soldaten. Hoewel tijdens het zinken van de Leopoldville een boordhospitaal werd opgericht onder leiding van de scheepsarts Herrent.

De Amerikaanse ondankbaarheid?

Nadat de bemanningsleden de zoektocht naar kapitein Limbor en Van de Kerckhove opgaven, werden ze in Cherbourg opgevangen. Adolf van Wetter herinnert zich later: “Ik werd opgepikt uit het water door een Franse snelboot en naar Cherbourg gebracht. Daar verbleef ik 36 uur in een soort barak zonder deuren noch vensters, in de kletsnatte kleren die ik gedragen had toen ik uit de reddingsboot viel, als deze uit zijn davits kantelde. Ik kon die kleren niet eerder verwisselen dan bij mijn terugkeer te Liverpool, waar alle Belgische zeelui van de koopvaardij hun oorlogsthuis hadden.”[4] Amerikanen verwijten de bemanning soms onverschilligheid, maar het valt op hoe ook het omgekeerde gebeurde. De Belgen voelden zich verongelijkt omdat zij vijf jaar van hun leven trouw in dienst hadden gesteld van de geallieerde troepen. Tweede officier François Lardinoy vond dat zij “hun plicht hadden gedaan”. Hij vertelt hoe hij werd gered: “Toen we zelf, uitgeput en tot op het bot verkleumd aankwamen in Cherbourg, kregen we bij wijze van welkomstgroet door de Amerikanen te horen dat we ‘toch maar mooi hun kerstfeestje verknald hadden’. Het kan tellen als je zelf enkele uren je hachje hebt geriskeerd om anderen uit de pekel te halen.”[5]

De overlevende Amerikanen werden vanuit Cherbourg aan boord van de Cheshire terug gebracht naar Southampton. Ook de Belgische bemanningsleden trokken niet veel later terug naar Engeland. Terwijl voor het Europese vasteland stilaan het einde van de oorlog in zich kwam, bleven zij ongeduldig wachten op de toelating om na vijf jaar terug naar België te keren.

Thuis geen nieuws

“Mijn verste herinneringen: Ik zie mijn vader, heel vaag, viool spelen. Hij speelde ook in het orkest aan boord. Op een dag zei hij ons: ‘Je vais vouw jouer la chanson muette’. Hij nam zijn viool in positie en speelde zonder de snaren aan te raken! Ik schoot in de lach en mijn zuster werd zeer kwaad! Ook toverde hij speelgoed weg en het duurde wel even voor we door hadden dat het in zijn mouw verdween.” Renée Sottieaux herinnert zich hoe moeilijk het was om in contact te blijven met haar vader René, die maître d’hotel was op de Leopoldville: “Langs het Internationale Rode Kruis mochten we een briefje van 25 woorden opsturen. Zo nu en dan kregen we ook nieuws van Papa, 25 woorden, en waren we gelukkig te vernemen dat hij nog leefde.” Op de terugweg van Congo was de Leopoldville in 1940 meteen afgesloten van België. De volgende vijf jaar hadden de bemanningsleden geen contact meer met hun familie. Renée zat op kerstavond 1944 met haar moeder rond de radio en verbazend genoeg herinnert ze zich dat ze hoorde hoe de Leopoldville was getorpedeerd.

Dagenlang wachtten de families van de Belgische bemanningsleden op nieuws. Maar toen kwam het verlossende nieuws: bijna iedereen was veilig in Engeland. Maar een terugkomst naar België was uitgesloten.

“11 februari 1945”, herinnert Renée Sottieaux zich, “we hadden iets nodig in de keuken en mijn zus ging het bij Tante beneden lenen. Ze kwam ermee naar boven en zei: ‘Tante is ziek, ze is zwaar verkouden met rode ogen.’ De andere dag kwam Tante binnen. Mijn moeder keek naar haar en zei: ‘Er is iets gebeurd! Met René?’ Mijn tante knikte bevestigend. Mijn oom had op het loodswezen het nieuws binnengekregen dat de Persier voor het eiland Wight was getorpedeerd en dat papa bij de vermisten was. Ze wilden ons nog een nacht laten slapen. Ik was verbijsterd: zo eindigde dus dat lange wachten!”

Het drama van de Persier

De Persier was op 8 februari uit Cardiff richting Antwerpen vertrokken, volgeladen met voedsel en andere levensmiddelen. De veteranen van de Leopoldville, die in Liverpool de verveling en heimwee doorstonden, hadden lang gewacht op dit nieuws. Ze doorbraken de traditie om zo weinig mogelijk bagage aan boord te nemen, want ze gingen naar huis! Sommigen haalden al hun geld van Engelse banken en verborgen dat zorgvuldig onder de naden van hun kleding. Drie dagen na het vertrek, ter hoogte van Plymouth trof een torpedo het zwaar beladen schip. De inslag veroorzaakte een hoge waterzuil en sloeg een bres in de romp. Kapitein Mathieu laat de motoren stilleggen. De drieënzestig opvarenden, verzameld op het dek, zagen hoe de boeg langzaam in het water verdween.  De kapitein besliste al snel om de volledige bemanning te evacueren. Één reddingsboot was door de explosie vernietigd, maar de resterende drie andere waren nog intact. Na vijf jaar oorlog was de bemanning op een manier gewend geraakt aan situaties als dit, er zou niets mogen mislopen. Maar plots gebeurde er in de machinekamer iets rampzalig: de motoren startten terug op! Terwijl de Persier opnieuw begon te varen, probeerden de opvarenden de drie sloepen neer te laten in het hevig deinende water.

Drie reddingsloepen

Toen de eerste boot neergelaten werd, hief een hoge golf het bootje op zodat een van de vieringtouwen los slipte. De reddingssloep bleef schuin hangen aan verder varende schip en wierp de opvarenden in zee. Terwijl het verder weggleed over het water, sprongen enkele mannen in de sloep. Maar het bootje dreef richting de schroef van het schip en werd door midden gespleten. Op het nippertje konden de inzittenden ontsnappen. Op het dek konden  ze eindelijk de machines stilleggen. Ondertussen lieten de bemanningsleden een tweede reddingsboot neer, maar opnieuw slipten de takels los door het hevig deinende water. Na een slag op het water, merkten de opvarenden dat het loosgat open was. De prop was spoorloos en met een vod werd het gat gedempt. Maar het gevaar was nog niet geweken. De sloep sloeg tegen de wand van de Persier en in een poging van de opvarenden om zich af te duwen, dreven ze af naar het schroefwater . Na een slag van de schroef, die zware schade veroorzaakte, geraken ze weg van het schip. In die chaos werd ook de laatste overvolle reddingsboot gevierd terwijl die al halfvol water stond. En ook bij de laatste boot liep het mis. Het vieringstouw loste en de sloep plofte hard in het water. Half verdronken en verwond probeerden de bemanningsleden zich te redden. Slechts elf van hen kunnen uiteindelijk weg geraken op de laatste reddingssloep.

De mislukte redding

Van op het achtersteven lieten de resterende opvarenden een vlot te water. Het schip zonk steeds sneller en iedereen sprong overboord. Terwijl de duisternis inviel, waren de drenkelingen verspreid. Sommigen konden nog net op tijd uit het water worden gevist. Ze voelden en zagen hoe Britse torpedojagers met hun dieptebommen op de U-boten jagen. Verschillende schepen trachtten de zinkende Persier te benaderen. Een van die schepen, de Gem, kon met twintig drenkelingen richting Plymouth varen. Een ander schip, de Cornelian, lukte erin om dankzij een handig manoeuvre zestien mannen redden, maar moest dan gaan jagen op de dreigende U-boten.

Het laatste vlot

Nog zeven bemanningsleden stonden op het zinkend schip. En toen gebeurde het meest onwaarschijnlijke: Hoewel de schroef al meer dan de helft boven water stond, begon de motor plots opnieuw te draaien. Weer schoot de Persier verder vooruit. Matroos Jozef Van Cleemput rende naar de machinekamer en kon de motor terug tot stilstand brengen. De situatie voor de bemanningsleden in het ijskoude water en op het zinkende schip zag er hopeloos uit. Daarom stelde eerste officier François Lardinoy voor dat hijzelf naar het meest nabije schip de Birker Force zou zwemmen. Hij was immers een getraind zwemmer. Kapitein Emile Mathieu ging meteen akkoord. Samen grepen ze Lardinoy vast, schommelden ze hem heen en weer en met al hun kracht smeten ze hem zo ver mogelijk het water in. Enkel zo zou Lardinoy de zware deining ontwijken. Na een bijna bovenmenselijke inspanning bereikte hij de Birker Force. Op de Persier waagden de zes overgebleven mannen hun kans. Het voorsteven van het schip lag immers al volledig in het water en ze maakten slagzij. Terwijl het schip met harde knallen uit elkaar barstte, namen ze een klein onhandig vlot en smeten dat overboord. Alle zes, de kapitein als laatste, sprongen in het water en konden het vlot bereiken. Op aanvoeren van Lardinoy werden ze alle zes opgevist door de Birker Force.

René

Dankzij de inspanningen van de Britse schepen kwamen er slechts twintig van drieënzestig opvarenden om. Twaalf anderen, waaronder Lardinoy en Mathieu, waren zwaargewond. Het levenloze lichaam René Sottieaux werd opgepikt door een van de Britse schepen. Zijn dochter Renée herinnert zich: “Een dag later kwam er een dame op bezoek. Haar man was kok geweest op de Leopoldville en was ook op de Persier. Ze weende en mama probeerde haar te trootsten: ‘Je weet het nog niet… hij is misschien bij de geredden.’ ‘Neen’, zei ze. ‘Hij is dood. Ik voel het.’ En het was zo.”

Renée vertelt mij in juni 2010 hoe ze pas na lang wachten meer nieuws kreeg over haar vader: “Op een dag, na onze terugkeer naar Antwerpen, stond er een marineofficier voor de deur. Hij had een enorm pak met eetwaren vast en de tranen vloeiden over zijn wangen toen hij ons zag.René Sottieaux werd in Plymouth begraven, weet Renée: “Maar in 1947 werd mijn vader samen met de andere zeelieden naar België overgebracht en met militaire eer begraven op het erepark van het Schoonselhof. Na een tijd kreeg mijn moeder papa’s trouwring, een kammetje en een nagelvijltje toegestuurd. Zijn verlovingsring was er niet bij.”

Renée sluit haar getuigenis af: “Al deze gebeurtenissen hebben ons leven veranderd. Mijn moeder heeft er jaren over gedaan eer ze terug zichzelf was. Na al dat leed heeft ze een gelukkige en onbezorgde lange oude dag gehad zonder veel kwaaltjes. Ze genoot van haar klein- en achterkleinkinderen en werd 101 jaar. Als ik – als gelukkige oma – mijn kleinkinderen zie, hoe die opkijken naar hun papa, die hen knuffelt en hen begeleidt, ben ik innerlijk ontroerd en denk ik soms… dat heb ik gemist.”

Vergeten

Jarenlang zwegen de bemanningsleden en soldaten van de Leopoldville en de Persier. Jarenlang werd er amper onderzoek gedaan. De herinnering aan de ramp zonk langzaam weg tussen de grote verhalen van de Tweede Wereldoorlog. Tot avonturiers zoals Clive Cussler het vergeten wrak terug onder de aandacht brachten. In de Verenigde Staten begonnen mensen zoals Allan Andrade en Jacquin Sanders getuigenissen op te tekenen. Maar ook de Belgische kant van het verhaal moet verteld worden. Zo gebruikte ik de herinneringen van Eduard Stuer en René Sottieaux via hun familie gebruikt bij deze artikelenreeks. De meer dan tweehonderd Belgische en Congolezen bemanningsleden kunnen ons vertellen over hun leven op de schepen. Dringend, voordat ook deze verhalen verdwijnen.

Vele geheimen blijven voor altijd verborgen, meegesleurd tot op de bodem van de zee. Andere duiken we stilaan op. Ze groeien uit tot verhalen, die worden doorverteld en samen geschiedenis vormen.


[1] ANDRADE, Leopoldville, p. 215-216.

[2] Informatie over de Rohna gevonden in ANDRADE, Leopoldville, p. 205.

[3] Vrij vertaald uit verschillende getuigenissen uit ANDRADE, Leopolville, p. 222-224.

[4] Geciteerd uit: VANDENBUSSCHE, ‘We hebben onze plicht gedaan’, in: Het Volk, 31 juli 1984, pag. onb.

[5] Geciteerd uit: VANDENBUSSCHE, ‘We hebben onze plicht gedaan’, in: Het Volk, 31 juli 1984, pag. onb.

Info

Deze tekst is een interpretatie van historicus Pieter Serrien en is grotendeels gebaseerd op het boek Leopoldville: A Tragedy Too Long Secret van Allan Andrade, uitgegeven in 2009 bij Xlibris Corporation in Verenigde Staten van Amerika, aangevuld met het boek A Night Before Christmas van Jacquin Sanders. Het interview met Renée Sottieaux is afgenomen door Pieter Serrien in 2010. Andere informatie over de Belgische schepen tijdens de oorlog is te vinden in De Belgische koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog van Roger Machielsen uit 1991.

© Pieter Serrien – 2011 – Alle rechten voorbehouden

Advertenties

8 gedachten over “Ramp met Leopoldville – Deel 5

  1. Hoi Pieter,

    Dat was een prachtige reportage op canvas over de Leopoldville. Ik ben blij dat nog iemand zulke scheepsrampen bijhoudt en de ware toedracht ervan uitzoekt.
    Hetzelfde doe ik met de Titanic, kijk maar naar mijn site!
    Je kan me ook op Facebook of Netlog vinden. Groetjes
    Jean

  2. Eindelijk het verhaal,ongeveer zoals het verlopen is,grote lacune is wat weinigen
    weten,de kapitein mocht niets bevelen over de passagiers,hij voerde het commando
    over zijn schip en bemanning,de militairen aan boord mochten enkel bevelen
    ontvangen van hun oversten,ook de onderrichtingen over veiligheid,reddingsoefening
    aan boord,bij het algemeen bevel schip verlaten,werden door hun officieren verbot
    opgelegd dit te doen,alleen hun bevelen waren geldig,met de noodlottige gevolgen
    de enige fout der bemanning was het anker te laten vallen,op bevel van een
    ondeskundige op een begeleidend korvet. Hulde aan de gezagvoerder en Ofsr.

  3. Ik ben net terug van een duiktrip op het wrak van de Leopoldville in Cherbourg. Helmen, gasmaskers en legerschoenen zijn nog steeds te zien. Impressionant…

  4. Dear Mr Serrien,
    Thank you for your efforts to bring to light the story of the Leopoldville and the men of the Belgian Merchant Marine. My late mothers’ father, Jozef Van de Vijver, served on the Leopoldville and according to family history was torpedoed off the coast of Scotland in 1942 (?). Do you know how I can verify the facts surrounding his death. A b&w photograph in a gold frame is so very little with which to honour my grand-father.

  5. Mijn grootvader Eduard Vermeulen zat op de Leopoldville bij de landing op D dag, ik heb trouwens zijn zeemansboek nog en daar staat een rode V in gestempeld omdat de missie top secret was, wisten de zeelui niets van het doel van deze reis. Trouwens mijn vaders en ooms vriend zat op de Leopoldville en de Persier toen deze getorpedeerd werden. Jozef Hermans alias Jef de Mep hij zat trouwens ook op de Leopoldville samen met mijn grootvader op 4 juli 1943 hun beider verjaardag. Mijn grootvader werd die dag 44 en Jef De Mep 22.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s