Ramp met Leopoldville – Deel 2

Op kerstavond van het oorlogsjaar 1944, zaten meer dan tweeduizend Amerikaanse soldaten op het Belgische troepentransport Leopoldville. Ze waren op weg van Southampton naar Cherbourg. De overtocht was niet echt aangenaam. Het was koud dus bijna iedereen bleef benedendeks, samengepropt in de slaapplaatsen in de stank van de latrines en hun zeezieke kameraden. Aan de hand van hun getuigenissen reconstrueer ik in vijf delen die kerstavond die zo rampzalig afliep. Dit is deel 2, over de inslag van de Duitse torpedo.

Lees hier deel 1, deel 3, deel 4 en deel 5 van het verhaal over de Leopoldville.

“Groene, stinkende hutsepot”

Voor de soldaten was het verblijf op het schip allesbehalve aangenaam. Het oude luxeschip was oorspronkelijk ingericht voor een driehonderd zestigtal passagiers, maar door de ruime cargo om te bouwen in soldatencompartimenten kon het meer dan tweeduizend personen vervoeren. De soldaten zaten dicht op elkaar gepakt onder de lage plafonds en tussen de houten muren. Na het lange wachten bij het boorden, probeerden de meeste soldaten wat bij te slapen op de vloer of de houten banken. Slechts enkele konden een hangmat bemachtigen. Terwijl de reis vorderde, zorgden de zeezieke kameraden en het primitieve eten voor een walgelijke geur. Er was geen degelijke ventilatie, zodat enkele soldaten ondanks de koude, stevige wind en tegen de bevelen in op het dek vluchtten. Luitenant Wood herinnert zich wat de gewone troepen als eten kregen opgediend: “Infanteriesoldaten verwachten geen eerste klas service, maar dit is laagste klasse. Een emmer van een soort groene, stinkende hutsepot werd met een touw neergelaten langs de trapgaten. Het bleef op elk dek lang genoeg hangen opdat elke man, indien hij een sterke maag had, met zijn gamel een portie kon scheppen. Het meeste ervan zorgde er later voor dat de latrines verstopt waren.”[1] Soldaat Walter Blunt daalde neer langs de steile trap naar zijn aangewezen compartiment. Hij keek rond en merkte dat enkele hangmatten waren vastgemaakt, chaotische verspreid tussen de picknickachtige houten tafels en banken. Er was verder geen plaats om te zitten of te slapen. Walter bracht een deel van de dag door met kaarten op het dek met zijn beste vriend Harold Decell. Ze gingen ervan uit dat ze in korte tijd zouden arriveren in Cherbourg. Later gingen ze samen naar hun compartiment, waar ze wat lazen, praten en verder kaarten: “In de vroege avond, nadat we ‘eaten chow’ [hadden gegeten], voelde ik me een beetje zeeziek en dus ging ik even liggen. Al snel viel ik in slaap op een bank van de eerste eettafel aan de rechterkant van het compartiment. Enkele van mijn kameraden sliepen op de tafel, onder de tafel en op de banken rond mij. Bijna allemaal zijn ze dood of vermist.” Ook Harold kon een dutje gebruiken en lag rustig naast Walter op de grond te slapen. [2]

Voorzorgmaatregelen?

De soldaten voorbereiden op een mogelijke aanval tijdens de overtocht, bleek voor de bemanning en de hoge officieren geen prioriteit. Hoewel het konvooi voor de eerste maal in deze samenstelling vaarde, was er genoeg vertrouwen in de ervaring van de bevelvoerders. Dat bleek ook uit de erg rudimentaire briefing die de officieren kregen over eventuele reddingsprocedures. Enkele alerte officieren lichtten hun troepen in over de reddingsvesten, maar gaven geen informatie over de reddingsloepen. De soldaten wisten waar ze zich moesten melden bij een noodgeval, maar hadden geen idee wat ze moesten doen als ze daar arriveerden. Hoewel het op het schip relatief rustig was, konden de officiers vermoeden dat er gevaar om de hoek loerde. De dag ervoor was er een schip dat richting Cherbourg vaarde getorpedeerd. De begeleidende schepen namen dan ook hun voorzorgen en droppen onderweg dieptebommen. Het konvooi ondernam een zigzagkoers over het kanaal om aanvallen te bemoeilijken. In de namiddag bemanden de Britse militairen hun posten, omdat een aanval mogelijk was.  Maar het mocht niet baten. Op ongeveer acht kilometer van de haven, vuurde een Duitse onderzeeër een salvo torpedo’s af op de Leopoldville. Het was iets voor zes uur ’s avonds.

“Torpedo on starboard!”

Het was avond geworden en van op het dek kon Luitenant Wurdeman nog net de andere schepen van het konvooi ontwaren. Zijn wacht was net afgelopen, toen hij vanuit het kraaiennest een man hoorde roepen: “Torpedo on starboard!” Wurdeman rende naar de leuning en zag een zilveren raket in het water die nog vijftien meter van het schip was verwijderd, met erachter een lange witte staart. De torpedo trof doel en Wurdeman zag hoe een krachtige ontploffing lichamen in de lucht gooide. Beneden werden de slapende soldaten verrast door de knal. Walter Blunt lag op zijn bank te slapen: “Ik werd wakker: een oorverdovend geluid, zo luid dat het moeilijk te beschrijven is. Vrijwel meteen was het donker en stond mijn compartiment onder water. Ik hoorde geschreeuw toen ik met mijn hoofd boven water kwam. Ik kon de olie in het water proeven en ik rook de stank van buskruit.”[3]

Op de brug

Charles Limbor, François Verworst en de 1e officier Brognion voelden tot op de brug hoe de explosie het schip door elkaar schudde.  Ze hoorden een luide knal en zagen hoe de glazen met een hels lawaai versplinterden. Volgens enkele getuigen riep Limbor: “ça y est! Nous sommes…” Het alarm klonk en al snel luidden de ordes door de luidsprekers op de brug. De bemanning wist wat ze moesten doen. Op bevel van de kapitein controleerden de maîtres d’hôtel Sottieaux en Vercruysse samen de cabines om te verzekeren er geen bemanning achterbleef. Vercruysse meldde nadien dat dek F4 is ingestort en dat compartiment 4 onder water was gelopen. Blijkbaar seinde de brug naar Cherbourg dat ze getroffen waren, maar een antwoord bleef uit. Verworst en kapitein De Pierpont bleven op hun post, en zagen doorheen het gapende gat dat de explosie had geslagen een chaos van kapotte tafels, gewrongen staal en dode lichamen.

Machinekamer

In de machinekamer schrok mecanicien Robert Gosseye op door de plotse explosie. Vrijwel meteen telefoneerde hij naar de brug en signaleerde hij een ongeval aan het machine op stuurboord. Hij meldde dat de schroef waarschijnlijk beschadigd was en dat de sluisdeuren gesloten waren. Limbor vroeg Gosseye of de machine aan bakboord nog werkte. Na dit te bevestigen kreeg hij het volgende bevel: “Bon, continuez avec celle-là”. Terwijl de machinekamer stilaan onder water liep, beseften Robert en zijn collega’s dat ze geïsoleerd geraakten. Ze plaatsten enkele pompen en al snel ging hun aandacht naar de andere motor, waar ze merkten dat een essentiële koelkabel gebroken was. Doordat het schip stilaan schuin kwam te hangen, liep de machinekamer steeds meer onder water en werden de pompen onnuttig. Ze contacteerden Limbor die hen beval om naar het bovendek te vluchten, nadat ze hun voorzorgen tegen brand hadden voltooid. Op de brug werden de geheime documenten over boord gegooid en het zig-zagboek in stukken gescheurd.

Als een rat in de val

Net als zijn kameraden was Walter Blunt (foto rechts) in paniek: “Ik stampte met mijn voeten en worstelde in een poging om het wateroppervlakte te vinden, hetgeen lukte maar de golven waren vreselijk zodat er slechts weinig plaats was om naar lucht te happen. Een miljoen gedachten schoten door mijn hoofd: was ik gedoemd om hier te sterven als een rat in de val? Zouden de golven ooit stoppen zodat ik naar adem kon happen? Het was gitzwart en doorheen het klotsende water hoorde ik vaag mannen kreunen en paniekerig om hulp roepen. Ik mompelde een kort gebedje en dacht aan mijn vrouw en kindje. Ik gaf nooit op en vertelde mezelf dat er een weg naar buiten moest zijn. Opnieuw bedacht ik hoe vreselijk het was om te sterven, terwijl het steeds hopelozer werd en ik me zwakker voelde. Toen was er eindelijk een pauze in de golven en kon in aan mijn rechterkant een licht onderscheiden. Ik haastte mij richting dat licht en vond daar een opening. Ik trok mezelf op in het gat tot borsthoogte. Ik kon niet verder. De golven kwamen steeds sneller en het water leek te stijgen. Ik hief mijn hoofd zo hoog mogelijk op en bij elke golf hield ik mijn adem zo lang mogelijk in. De golven leken telkens driemaal toe te slaan met daarna een korte pauze. Ik werd steeds zwakker. Dan net achter een pauze, toen de golven opnieuw begonnen, hoorde ik boven mij een stem: ‘Give me your hand son. You’ll be alright!’ Het was de stem van mijn Company Commander. Ik strekte mijn arm zo hoog ik kon en na drie golven was ik uit de opening. Ik strompelde door wat puin tot aan het dek waar iemand mij opving omdat ik neerviel van uitputting. Op het dek was alles zo rustig, zo kalm. Ik veronderstel dat ik nooit had beseft wat er gebeurde als ik niet onderaan had gezeten.”[4]

Lees hier deel 3.


[1] Vrij vertaald uit: ANDRADE, Leopoldville, p. 76.

[2] Vrij vertaald uit Statement of Pfc Walter E. Blunt, 16153890, Company L, 262 Inf., in: National Archive, p. 13 en ANDRADE, Leopoldville, p. 75, 100.

[3] Vrij vertaald uit: ANDRADE, Leopoldville, p. 100. en uit: Statement of Pfc Walter E. Blunt, in: National Archive.

[4] Vrij vertaald uit Statement of Walter E. Blunt, in: National Archive, p. 13.

Info

Deze tekst is een interpretatie van historicus Pieter Serrien en is grotendeels gebaseerd op het boek ‘Leopoldville: A Tragedy Too Long Secret’ van Allan Andrade, uitgegeven in 2009 bij Xlibris Corporation in Verenigde Staten van Amerika, aangevuld met het boek A Night Before Christmas van Jacquin Sanders. Al de tekeningen zijn van de hand van Richard Rockwell.

© Pieter Serrien – 2010 – Alle rechten voorbehouden

Advertenties

3 gedachtes over “Ramp met Leopoldville – Deel 2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s