Vandaag is het exact 450 jaar geleden dat de zogenaamde Spaanse Furie in Antwerpen voor een kentering in de opstand van de Nederlanden zorgde en duizenden mensen de dood in joeg. Ik beschreef het drama uitvoerig in mijn geuzengeschiedenis In opstand!. In mijn nieuwe boek Het verloren land behandel ik de tragedie alleen als een terugblik en een legitimatie voor het oprichten van de Verenigde Nederlanden in de jaren nadien. Speciaal voor deze belangrijke herdenking duik ik in het eeuwenoude geschiedwerk van Emanuel van Meteren om te lezen wat de verhalenverzamelaar én Antwerpenaar in zijn Historien over die tragische novemberdagen van 1576 schreef. Ik vul het aan met fragmenten uit In opstand!. Vanavond is er een bijzonder herdenkingsevenement in Antwerpen met muziek, lichtspektakel en literatuur. Onder andere mijn geuzenbroer Jeroen Olyslaegers zal aanwezig zijn. Vrijdag is het mijn beurt om samen met collega-historici Guido Marnef en Bram De Ridder in gesprek te gaan over het belang van de Spaanse Furie en de gevolgen voor de verdere geschiedenis van de Lage Landen. Deze volledige volzette academische zitting gaat door in het Antwerpse stadhuis. Meer info over alle herdenkingsactiviteiten via deze link. Zaterdag vervolg ik mijn tournee van boekvoorstellingen in Limburg, zie deze link.

Vandaag ook op VRTNWS!

Klik op ‘lees meer’ om het volledige artikel te lezen.

De aanloop tot de Spaanse Furie

Terug naar exact 450 jaar geleden. De geuzenopstand was reeds tien jaar bezig. Na de harde repressie van de hertog van Alva waren de rebellen onder aanvoeren van Willem van Oranje er toch in geslaagd om het grootste deel van Holland en Zeeland te veroveren (of bevrijden vanuit hun perspectief). Toen begin 1576 de nieuwe landvoogd Requesens overleed, escaleerde de situatie in de zuidelijke Nederlanden snel. In Brussel deed een voorlopige regering een poging om de macht naar zich toe te trekken. Maar stabiliteit was ver te zoeken. De belangrijkste reden hiervoor was de muiterij binnen de Spaanse rangen nadat een aanzienlijk deel van de regeringstroepen al twee jaar amper soldij had ontvangen. Deze muiters vestigden zich in het Land van Aalst en bedreigden de onstabiele regering in Brussel. Daarop namen de stadsgeuzen het initiatief in eigen handen. In Brussel en Antwerpen waren massale protesten en betogingen te zien. Er heerste een algemene angst voor nieuw geweld.

In Brussel nam uiteindelijk een groep lokale politici, gesteund door de stadsgeuzen, het initiatief. Begin september namen ze de Raad van State gevangen, wat neerkwam op een staatsgreep. Daarna verliep alles snel. Op initiatief van de Brabantse staten werden de Staten-Generaal samengeroepen. Dit was een revolutionaire daad omdat de bijeenroeping normaal gezien alleen kon gebeuren op vraag van de koning of diens landvoogd en hun toestemming was niet gevraagd. Bovendien hadden de Staten-Generaal normaal gezien alleen bevoegdheid om te beslissen over een nieuwe belastingen, maar in Brussel werd in september en oktober 1576 over veel meer dan dat gesproken. In wat door sommigen de geuzenrevolutie werd genoemd transformeerden de Staten-Generaal in een volwaardig parlement. Ze troffen zelfs voorbereidingen om een eigen leger op te richten en eisten dat de Spanjaarden zouden vertrekken. Vanaf dan kunnen we spreken van een staats leger, een staatse regering en een staatse strijd die zo bepalend zouden worden in de Verenigde Nederlanden (zie Het verloren land)

De oprichting van een volwaardig parlement was niet het enige revolutionaire dat najaar. Kort na de samenkomst van de Staten-Generaal begonnen de nieuwe machthebbers in Gent onderhandelingen met de rebellerende gewesten Holland en Zeeland. Eind oktober werden die beklonken in de Pacificatie van Gent. Terwijl de onderhandelaars in Gent dit uniek vredesakkoord hadden bereikt maar de officiële proclamatie nog op zich liet wachten, steeg de spanning in Antwerpen. De Staten-Generaal stuurden enkele edelen om met het juist opgerichte staatse leger de cruciale stad te verdedigen. Toen het nieuws kwam dat Maastricht in de vlammen was opgegaan en er misschien wel tweeduizend mensen waren omgekomen, leek het onvermijdelijk dat Antwerpen als volgende met de Spaanse furie te maken zou krijgen.

Emanuel van Meteren over de Spaanse Furie

Hieronder lees je de in modern Nederlands hertaalde beschrijving van de Spaanse Furie in Antwerpen door Emanuel van Meteren in zijn Historien, aangevuld met mijn eigen tekst uit In opstand! (p. 480-487). De ingekleurde prenten zijn van de hand van Frans Hogenberg, gebruikt bij de eerste uitgave van de Historien in het Duits. Ze zijn gedownload uit de uitgave van Historia uit 1593 in het Národní knihovna České republiky te Praag. Van Meteren schreef het verhaal van de Spaanse Furie voornamelijk vanuit het perspectief van de stadsgouverneur van Antwerpen Champigny, Frédéric Perrenot de Granvelle en jongere broer van de beruchte kardinaal. Hierdoor ontstond het beeld van sterke leiders en laf voetvolk in onze geschiedschrijving dat tot heden is blijven bestaan.

Antwerpen was de afgelopen tien jaar een broeihaard van verzet geweest. Maar in het najaar van 1576 werd het een toevluchtsoord voor de ongewenste koninklijke troepen en gevluchte Spaanse regeringsleden. Champigny vroeg eind oktober in een brief aan de Raad van State om geen troepen naar Antwerpen te sturen. Ze konden beter hun strijdkrachten gebruiken om de wegen naar de havenstad te blokkeren, zodat de Spaanse muiters in Aalst, Breda, Herentals, Lier en Maastricht niet naar de citadel konden gaan. Het Brabantse leger aan de poorten van Antwerpen zou de Spaanse aanvoerders alleen maar een reden geven om hun muitende troepen hun gang te laten gaan in de stad. Om dezelfde reden was beslist om de burgerwacht deels te ontbinden en de militieleden thuis op een eventueel alarm te laten wachten.

In Brussel werd echter niet geluisterd. Op 2 november verschenen de staatse troepen in Borgerhout. Het was nog altijd hetzelfde onervaren leger zoals dat wat in Vissenaken in de pan was gehakt, met voornamelijk Zuid-Nederlandse edelen die de voorbije jaren weinig strijd hadden gezien. Het was net of de geuzen van de eerste jaren van de opstand terug waren. Moesten zij het opnemen tegen de ervaren en zwaarbewapende koninklijke troepen en Duitse huurlingen die in de citadel verschanst lagen? Ze hadden niet eens genoeg munitie of zwaar geschut mee en vertrouwden op de Antwerpenaren om barricades in het zuiden van de stad te bouwen om zo een eventuele aanval vanuit de citadel te voorkomen. Het stadsbestuur twijfelde om hen binnen te laten, omdat ze recent ook Duitse huurlingen hadden aangenomen en al met genoeg waren om de stad te verdedigen. Maar op 3 november gaven ze toch toe. Waardoor met 9000 infanteristen en 1200 ruiters de Antwerpenaren een aanzienlijk grotere strijdmacht hadden tegenover zo’n 2500 Spanjaarden en Duitsers in de citadel.

3 november: de aankomst van de muiters in de Citadel

In de Historien van Emanuel van Meteren lezen we:

“Op zaterdag 3 november kwam de [staatse] troepenmacht rond het middaguur in Antwerpen aan. De cavalerie werd gehuisvest rond de Paardenmarkt en de infanterie trok terstond naar het Kasteel [de Citadel]. Toen de bezetting van het Kasteel dit opmerkte, begonnen zij met alle geweld op de stad te schieten. Zij deden ook een uitval op de stad met vuur, wat werd weerstaan door de heer van Fontaine en enkele Fransen uit het regiment van [Filips van] Egmont [zoon van de in 1568 bekende graaf en Vlaamse stadhouder]. Verscheidene Spaanse en Italiaanse kooplieden vluchtten naar het Kasteel.”

“Na enig beraad gaf de markies van Havré [Karel Filips van Croÿ die de staatse troepen uit Brussel leidde] bevel om een verdedigingswal tegen het Kasteel op te werpen. Gouverneur Champigny bracht hiervoor in minder dan een uur tijd tien- tot twaalfduizend arbeiders op de been, voorzien van al het benodigde gereedschap om schansen te bouwen, zoals wolzakken, hopzakken, zakken pastel en dergelijke. Zo begon men te graven en schansen op te werpen.”

“Champigny leidde maarschalk [Anton van] Goignies overal rond en liet hem de geschikte locaties zien om wachtposten op te stellen. Hij raadde aan om de Waalse troepen in de schansen onder te brengen en liet vanuit het Sint-Michielsklooster al het nooddruft [nodige bevroorrading] voor hen bezorgen. De troepen van [commandant Duitse huurlingen voor de Staten, graaf Eberhard van] Overstein liet men dieper de stad in trekken. De Waalse kapiteins en de overige officieren waren echter meer bezig met het zoeken naar de beste huizen dan met het in de gaten houden van hun wachten en werkzaamheden. Omdat het grotendeels nieuwe troepen betroffen, ontstond er grote wanorde, waardoor de aanleg van de versperringen erg slap [traag] vorderde uit vrees voor het geschut. Maar die van het Kasteel hielden ook ’s nachts niet met schieten.”

“De gouverneur dacht deze onachtzaamheid en wanorde, zowel bij de verdedigingswerken als bij de wacht, de volgende dag te verbeteren door de burgers aan het werk te zetten en hen de taak te geven hun eigen stad te bevrijden. Samen met verscheidene burgers stelde hij die nacht enkele stukken zwaar geschut op bij het Schermershof [oefenterrein schermersgilde nabij de stadsmuur] als tegenbatterij (hoewel er enkelen bij gewond raakten), om daarmee het geschut van het Kasteel onschadelijk te maken.”

“Ondertussen hadden [Jerónimo de] Roda [lid van de Raad van Beroerten die zich eigenmachtig tot hoofd van de Spaanse regering in de Nederlanden had uitgeroepen], Sancho d’Avila [Spaanse kastelein van de Antwerpse Citadel] en anderen boden gestuurd naar don Alonso de Vargas [Spaans cavaleriecommandant] in Maastricht [deze vestingstad was twee weken eerder platgebrand en geplunderd]. Deze kwam met de Spaanse, Italiaanse en Bourgondische paardenvolk [cavalerie] — wel duizend man sterk — en bracht ook zes vaandels Duitse voetknechten mee: twee van [Georg von] Fronsberg, één van Fokker [Markus Fugger, uit het bekende Duitse bankiers- en officiersgeslacht] en drie van de graaf van Overstein, die zij, in de hoop op buit, tegen hun eigen legeraanvoerders inzetten.”

4 november: de slag om Antwerpen begint

Midden in de nacht van 3 op 4 november waren tweeduizend Spaanse muiters uit Aalst vertrokken. Omdat de citadel zowel een uitgang naar de stad had als een naar buiten, kwamen zij samen met honderden andere muiters uit Breda, Lier en Maastricht makkelijk binnen. Rond elf uur verzamelde de opgehitste troepen zich op het binnenplein van het kasteel. De Spaanse legerleiding gaf orders om te rusten na de nachtelijke mars, maar de muiters uit Aalst negeerden dit bevel, net als veel Duitse huurlingen en hun Spaanse krijgsmakkers die al in de citadel lagen. In plaats daarvan riepen ze almaar luider dat ze de stad in zouden trekken. Kort na de middag voegden ze de daad bij het woord en gingen in strakke rangorde met zo’n vijfduizend man de citadel uit. De aanval werd onmiddellijk ontdekt. Van aan het Sint-Jorisplein tot voor de Sint-Michielsabdij stelden zo’n zesduizend manschappen zich achter de schansen en aarden wal op om Antwerpen te verdedigen. Een kleine groep ruiters en de Antwerpse gewapende gilden verzamelden zich op de Paardenmarkt en bij het stadhuis op de Grote Markt. De slag om Antwerpen begon.

Emanuel van Meteren vervolgde zijn verhaal:

“Zondagmorgen 4 november kwamen zij allen aan in het Kasteel, waar zich ook Julián Romero [beroemde Spaanse legeraanvoerder] bevond met zijn troepen uit Lier.”

“Daar voegden zich nog de muiters van Aalst bij, die de dag ervoor waren vertrokken. Zij waren ongeveer tweeduizend man sterk en lieten zich overhalen om Antwerpen mee te plunderen, ondanks het feit dat men hun al meer dan veertigduizend kronen had gestuurd en er nog maar tachtigduizend kronen achterstallig waren, naast twee maanden soldij die sinds het begin van hun muiterij verschuldigd waren.”

“Met deze muiters, die Roda zelf tot koninklijke rebellen had verklaard, bestormden zij de stad Antwerpen. De stad was de katholieken koning in alles getrouw en onderdanig gebleven en voerde slechts uit wat de Raad van Staten (aan wie het landbestuur was toevertrouwd) haar beval. Dit diende tot geen enkel ander doel dan tot hun eigen bescherming tegen degenen die de rebellen bijstonden, die eerder al dergelijke muitende Spanjaarden de stad in hadden gebracht en de burgers vierhonderdduizend gulden hadden afgeperst.”

“De Duitse kolonels, zoals Fronsberg, [Nikolaus von] Pollwiller, en Fokker, hebben eveneens uit gierigheid en in strijd met hun eed de rebellerende Spanjaarden tegen de koning en zijn Landen ondersteund en hen van zes Duitse vaandels voorzien. Bovendien hadden de Spanjaarden binnen de stad Cornelis van Eynde [staatse officier van Duitse huurtroepen] met zijn vaandels, die het vanaf het begin al met hen was overeengekomen [om de stad te verraden]. Zo gaven hij en zijn kapiteins later spottend toe in hun rondgestuurde brieven. Zij droegen een groene kleur als veldteken om elkaar te kunnen herkennen.”

“Met deze troepen trokken zij ten strijde, waarbij de muiters van Aalst het bevel kregen om naar de Sint-Joriskerk te trekken onder de vlag van hun Electo [gekozen muiterijleider], Jan de Novarese [Giovanni de Novara, legerleider van de Aalsterse muiters], en onder zijn bevel, omdat zij nog niet volledig uitbetaald waren. Met hen trokken drie Duitse vaandels mee. Juliaan Romere trok met zijn troepen naar de Sint-Michielsabdij, evenals Baldeus [Hernando de Valdés, Spaans legeraanvoerder]. Alonso de Vargas volgde met het paardenvolk richting Sint-Jorris, waar vier vaandels van Cornelis van Eynde hun bevelen van hen ontvingen. De troepen die uit Maastricht gekomen waren, trokken er tussenin en riepen: ‘Sint-Jacob van Spanje!’ [Santiago y cierra, España! — de traditionele Spaanse strijdkreet].”

De gevechten aan de Sint-Jorispoort

Vier jaar eerder was de Engelse dichter George Gascoigne toevallig aanwezig geweest bij de geuzeninname van Den Briel. In het najaar van 1576 was hij in Antwerpen. Hij verbleef in een herberg en was met landgenoten in zijn kamer aan het dineren toen er alarm werd geslagen. ‘Ik stond op van tafel en ging snel de hoge toren van het Engelse Huis op, vanwaar ik vuur zag op vier of vijf plaatsen in de richting van het kasteel. Ik wist meteen dat de Spanjaarden voorbij de versperringen waren gekomen. Ik ging naar beneden, nam mijn mantel en zwaard en liep naar de Beurs.’

De verdedigers van Antwerpen hadden als eersten het vuur geopend, maar tegen de aanstormende Spanjaarden was weinig te beginnen. De verdedigingslinie brak op vier plaatsen. De Waalse huurlingen moesten de Kronenburgpoort opgeven en probeerden de vijanden nog tegen te houden bij de Sint-Michielsabdij. Maar tegelijk braken de Spanjaarden door bij de huidige Nationalestraat, de Begijnenstraat en het Sint-Jorisplein. Het was een overrompeling. De verwarring werd nog groter toen bleek dat een groot aantal Duitse huurlingen die de stad moesten verdedigen naar de vijand overliep. Ze waren herkenbaar aan hun groene linten en sjaals en zorgden bij de verdedigers en burgers voor blinde paniek. Hun aanvoerder Cornelis van Eynde zou hier later de schuld van krijgen, zo ook in de Historien:

“Bij Sint-Joris ondervonden de Spanjaarden de meeste weerstand. Het geschut hield hen lang tegen. Hun [legertros van] jongens en hoeren droegen al het stro mee om de eerste huizen die ze bereikten in brand te steken. Toen de Markies van Havre en anderen op zondagmorgen om twaalf uur in de Raad hoorden dat er volk [Spaanse versterkingen] in het Kasteel was gearriveerd, konden zij het niet geloven. Zeker niet dat de muiters van Aalst er waren, aangezien de rivierovergangen door oorlogsschepen bewaakt werden. Maar de befaamde burger Wouter van Savooien meldde dat zij te Schelle [waar hij als heer over regeerde] met een turfschuit waren overgestoken. De laatste was een galei van kastelein Sancho d’Avila bij gekomen, die de oorlogsschepen waarop [de Antwerpse stadsgouverneur] Champigny vertrouwde op de vlucht had gejaagd. Met deze galei staken zij allemaal over en kwamen ’s ochtends aan op het Kasteel, wat deze heren nog steeds niet konden geloven. De troepen uit het Kasteel trokken de stad in zonder te eten of te drinken, aangezien er nauwelijks voorraad was. Toen de heren het alarm hoorden, vertrok ieder naar zijn eigen troepen.”

Later ontstond het verhaal dat de Spanjaarden en Duitse huurlingen hadden geweigerd te eten, want dat ze na de gevechten wel in de hemel zouden dineren of in de geplunderde stad… Deze verhalen, samen met het gerucht dat ze al biddend de bestorming waren begonnen, versterkte het anti-katholieke en anti-Spaanse beeld dat de geuzenpropaganda wilde uitdragen.

Emanuel van Meteren vervolgde:

“Die van het Kasteel hadden van tevoren al wat volk uitgestuurd om te schermutselen en te bespieden wat de stadsbewoners deden. Enkele kloeke jonge burgers trokken het [Kasteel]plein op en dreven hen terug. Daardoor oordeelden velen dat de burgers zich beter verdedigd zouden hebben vanwege hun eigen nood en omdat zij de wegen en toegangspunten beter kenden dan de vreemde soldaten.”

“Daarom liet Champigny, terwijl hij naar Sint-Joris reed, langs de wegen en door de stad bekendmaken dat de burgers de wapens moesten opnemen en zich moesten verzamelen op de Ossenmarkt en bij de Engelse Beurs. Zijn voornemen was om, zodra hij de verdedigingswerken had geïnspecteerd, naar hen toe te rijden en orde te scheppen onder dat volk en hun kapiteins. Hij verwachtte uit de menigte een groot aantal goedbewapende mannen te halen die men bij de verdediging beter kon vertrouwen dan de Walen, die men erg onbekwaam en onachtzaam vond omdat ze de omgeving niet kenden.”

“Toen hij bij het Schermershof aankwam, zag hij dat het geschut dat die nacht geplaatst was de bezetting van het Kasteel veel schade toebracht. Daarom gelastte hij de Heer van Baudengnien [Waalse staatse officier] en kapitein De Vers op hier toezicht te houden. Hij reed verder langs de versterkingen buiten de huizen op het Plein. Daar trof hij Cornelis van Eynde aan, die beweerde poeder [kruit] te zoeken voor zijn troepen. Champigny kreeg vermoeden [argwaan], en niet zonder reden: Van Eynde ging zo vaak poeder halen in de Sint-Michielsabdij dat men dacht dat hij alles wilde wegnemen om anderen ervan te beroven, wat later ook waar bleek te zijn.”

“Toen Champigny in de Begijnenstraat kwam, steeg hij af zijn paard en liep tot buiten de verdedigingswerken. Hij inspecteerde ze en vond ze zeer gebrekkig, al waren de vijandelijke voorposten door enkele kloeke burgers teruggedreven. Zodra hij weer binnen was, hoorde hij dat de Spanjaarden oprukten en zag hij hoe de Walen hun handbussen vruchteloos op de vijand afvuurden, bang als ze waren om zich bloot te stellen aan het vreselijke geschut uit het Kasteel. Hij trof daar de Heer van Beersel [Anton van Wittem, kapitein van de staatse troepen] aan en smeekte hem zijn best te doen om de Walen zo goed mogelijk te vermanen. Dit was echter tevergeefs, aangezien zij hem niet kenden en hij hen niet.”

“Toen Champigny iets verder kwam, zag hij dat de Walen de loopgraaf verlieten en op de vlucht sloegen, nog voordat de Spanjaarden zich op de schans durfden te wagen. Hij rende via een tuin naar de Duitsers op de Bleydenhoek om met hun hulp de Walen te laten terugkeren, maar tevergeefs. Ook zij waren vanwege het geschut vanuit het Kasteel naar een zijstraat uitgeweken. De Walen waren niet te bewegen om terug te keren, hoewel Oversteins Duitse troepen hun best deden en zich dapper verweerden.”

“Champigny greep een vluchtende Waalse vaandrig bij de arm en liet hem omkeren, maar omdat deze de gouverneur niet herkende, ging hij er terstond weer vandoor. Daarop rende Champigny naar de kade bij de Munt, in de veronderstelling dat de Waalse wacht hen tegen zou houden. Hij trof hen echter ook op de vlucht aan. Er was daar wel hard geknokt toen de Spanjaarden kwamen, maar toen de Walen zagen dat de troepen van Cornelis van Eynde achter hen aan kwamen, kregen zij een algemeen wantrouwen tegen alle Duitsers, die zij voor verraders aanzagen.”

“Daarop wilde hij zich bij de burgers op de Paardenmarkt voegen, maar hij wist niet hoe hij daar moest komen, aangezien het ver was en de vijand de weg versperde. Het leek hem daarom het beste bij de rest van Oversteins troepen te blijven. Hij durfde niet naar de [Grote] Markt te gaan uit angst in handen te vallen van het volk van Cornelis van Eynde, dat hij niet kon onderscheiden van de overige Duitse troepen.”

De stad in brand

In korte tijd braken er in de hele stad gevechten uit. Gascoigne was getuige van de blinde paniek die zich meester maakte van een deel van de soldaten en burgers. ‘Toen ik zoveel stedelingen voor hun deuren zag staan met alle wapens waarover ze maar beschikten, vroeg ik een van hen wat het allemaal te betekenen had. Hij antwoordde me: “Helaas, meneer, er is geen enkele orde en ziedaar de ondergang van de stad.” “Houd moed, mijn vriend”, zei ik. Ik liep verder naar de Beurs en kwam de hele weg steeds meer mensen tegen die hun pas versnelden.’ De Engelse dichter putte wat moed toen hij zag hoe ‘een jonge Waalse trompetter’ een vijftigtal vluchtende soldaten aanvuurde om opnieuw stelling te nemen. ‘Helaas duurde dat genoegen maar kort. Want tegen de tijd dat ik bij het einde van de Beurs kwam, zag ik een grote troep mensen op me afkomen, in grote haast, met hun gezicht zo dicht bij elkaar als een school jonge vissen of een kudde schapen.’ De vluchtende massa liep Gascoigne omver. ‘Geruime tijd liepen ze over mijn buik en gezicht, voor ik weer kon opkrabbelen. Ik begon me af te vragen wat ik hier in vredesnaam deed terwijl degenen die de stad moesten verdedigen de benen namen.’ Veel tijd om na te denken had Gascoigne niet, want hij werd opnieuw omvergelopen door ‘een kudde vluchters’.

Een deel van de Antwerpenaren vluchtte noordwaarts de stad uit. Anderen verschansten zich in hun huizen, al dan niet van plan om hun eigendom tot het uiterste te verdedigen. Ruiters die fakkels droegen en in het spoor van de indringers de straten doorkruisten, maakten duidelijk wat de ­ Spanjaarden van plan waren: de stad in brand steken. In de chaos rende Gascoigne terug naar zijn herberg. ‘Ik passeerde mensen die op de grond lagen en naar hun laatste adem snakten. Anderen liepen achterwaarts om de kogels van de Spaanse musketiers te ontwijken.’ Hij vond verschrikte Engelse kooplieden bij het hek van de herberg. Hij probeerde hen eerst gerust te stellen, maar toen verschenen er Spanjaarden in de straat. ‘Voor ik het hek goed en wel kon sluiten, trokken ze op. Toen ze langs onze deur kwamen, belden ze aan om binnen te mogen. Ze vereerden het traliewerk waar ik hen te woord stond met vijf musketschoten, waarvan er een vlak langs mijn neus vloog, door het hek drong en een van de kooplieden aan het hoofd raakte.’ De Engelse handelaars ontsnapten aan erger doordat de muiters daarna naar de Nieuwstad in het noorden trokken om de huizen van de rijken daar leeg te roven.

De strijd was nog niet voorbij. De Spanjaarden hadden de overhand omdat ze er met hun ruiterij in slaagden de vluchtende Waalse en Duitse huurlingen op te jagen, zodat die zich niet konden hergroeperen. Toch was er tegenstand bij de Beurs en op de Meirbrug. Op en rond de Grote Markt verschansten de laatste verdedigers van Antwerpen zich. Dankzij burgers die vanuit het stadhuis en hun gildehuizen op de aanstormende Spaanse ruiters schoten, kon een grote groep Waalse huurlingen zich hier terugtrekken. Er vielen aan beide kanten tientallen slachtoffers in een hevig gevecht op het beroemde marktplein. Toen de Spanjaarden het stadhuis in brand staken, moesten de laatste verdedigers zich terugtrekken. De mannen die het brandende gebouw wilden ontvluchten, werden zonder medelijden doodgeschoten. Enkele stadsbestuurders bevonden zich onder de slachtoffers.

Emanuel van Meteren ging verder over hoe de Antwerpse stadsgouverneur er alles aan zou gedaan hebben om de situatie te keren:

“Champigny besloot naar het Oosterhuis [de zetel van de Hanzekooplieden in het noorden van Antwerpen] te trekken om dat te verdedigen. Alles wat hij onderweg tegenkwam stuurde hij die kant op, in de wetenschap dat daar twee loyale vaandels waren: dat van hopman Fuerst en dat van Vincent Bleyker. Het ene vaandel van Fuerst trof hij echter in slagorde aan bij het Haringvliet. Hij kon hen daar niet weg krijgen omdat de vijand de stad van alle kanten aanviel.”

“De Spanjaarden vielen via de vijf straten vanaf het Plein over de loopgraaf de stad binnen en wisten meteen hun voordeel te doen in de straten. Zij staken enkele huizen in brand om de burgers extra angst aan te jagen. Zo veroverden zij de ene straat na de andere, versterkt door het wantrouwen tussen de soldaten onderling en tussen de burgers en soldaten. Dit dreef velen op de vlucht en veroorzaakte grote ontsteltenis en wanorde. Desondanks stuitten zij op de Grote Markt op hevig verzet van enkele Duitsers, de gezworen gildebroeders van de stad en andere burgers vanuit hun gildekamers en andere burgers in het stadhuis. De Spanjaarden staken het stadhuis echter in brand, zoals ze ook op de Vlasmarkt hadden gedaan, wat de bevolking zeer verschrikte.”

“Rond de Engelse Beurs werd eveneens hevig weerstand geboden door zowel burgers als Duitse soldaten, evenals op de Ossenmarkt. Het was echter allemaal tevergeefs. Toen de avond viel, stond de stad overal in brand. De verdedigers liepen elkaar in de weg, waaraan de vaandels van Cornelis van Eynde flink bijdroegen.”

“Champigny kon het Oostershuis niet bereiken, waarover hij hoorde dat de graaf van Overstein zich er bevond om weerstand te bieden. Toen die ten slotte bij de Vliet aankwam, zag hij dat iedereen zich met bootjes uit de voeten probeerde te maken. De graaf wilde dat ook doen, maar toen hij vanaf een brug sprong, sprong hij er naast. Door zijn zware harnas en bewapening verdronk hij.”

“Omdat ook daar totale wanorde heerste en het paardenvolk [de cavalerie] van de ene gesloten stadspoort naar de andere rende, probeerde Champigny het laatste bolwerk, genaamd Kattenberg te behouden. Nadat hij een paard te pakken had gekregen, reed hij erheen om het paardenvolk aan te sporen stand te houden en te wachten op hulp van de Willem van Oranje en de Zeeuwse schepen, die vlakbij lagen. Het was echter allemaal vruchteloos. Want toen hij bij het bolwerk kwam, trof hij daar wel de Markies van Havre aan, maar geen krijgsvolk dat wilde vechten.”

“Hij zag ook dat het vaandel van hopman Fuerst gebroken en op de vlucht geslagen was, en hij opmerkte het Spaanse paardenvolk onder leiding van Piedro de Tassis de stad binnen waren gedrongen. Daarom bracht hij zichzelf in veiligheid door zich samen met de Markies van Havre en anderen langs het bolwerk naar beneden te laten zakken, waardoor hij op de schepen van de Prins van Oranje wist te ontkomen. Vele ruiters sprongen met paard en al van de stadsmuren beneden in de vesten [stadsgrachten]. Evenzo brachten vele soldaten en burgers zich op uiteenlopende wijzen in veiligheid.”

Spaanse overwinning

Antwerpen was gevallen na een strijd van een uur of twee. Zoals Gascoigne had gezien, gingen de Spaanse muiters van het zuiden naar het noorden van de stad. Een deel van de cavalerie, die nog weerstand had kunnen bieden, vluchtte de stad uit. De plundering van Antwerpen begon. ‘Ze spaarden vriend noch vijand, leeftijd noch geslacht, beroep noch religie, jong noch oud, sterk noch zwak’, schreef de Engelsman. ‘De jezuïeten moesten net zo goed hun geld afgeven als alle andere religieuze instellingen. De rijken werden geplunderd om wat ze hadden. De armen werden opgehangen omdat ze niets hadden. Zelfs zwakte was niet in staat hen tot medelijden te bewegen en hen te doen afzien van wreedheden.’

Emanuel van Meteren schreef:

“Zo werden de Spanjaarden meester van de stad. Van die uit het Kasteel kwamen ongeveer driehonderd man om het leven en raakten er tweehonderdvijftig gewond. Onder de doden waren enkele kapiteins, zoals Manuel Cabezón de Vaca, Juan de Robles, Damián de Morales en Giovanni de Novara [de electo van de muiters uit Aalst] en anderen. Kolonel Fokker [Markus Fugger] raakte eveneens gewond. Toen hij neerviel werd hij vertrapt, net als verscheidene anderen.”

“Aan de zijde van de stad kwamen naar schatting zo’n vier- tot vijfduizend mensen om. Er werden er ongeveer vijftienhonderd begraven — meer soldaten dan burgers — die gesneuveld of verdronken waren. Zij werden grotendeels begraven in twee diepe kuilen op het grote kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk [Groenplaats aan de kathedraal van Antwerpen].”

“Onder de prominente slachtoffers: Graaf van Overstein verdronk, evenals de heer van Bievry. De heer van Du Plessis werd gedood, samen met nog diverse andere Waalse en Duitse bevelhebbers. Van stadswege kwamen om: burgemeester Jan vander Meeren (die er sterk van verdacht werd geheuld te hebben met de Spanjaarden), markgraaf Godwin Varick, Jan vander Werve, Lancelot van Ursel [voormalig burgemeester van Antwerpen], François de Pommereaulx en noch verscheidene leden van de magistraat, naast veel eerlijke en voortreffelijke burgers.”

“Het was al laat op de avond voordat de stad overal volledig was ingenomen.”

“Graaf Filips van Egmont werd in het Sint-Michielsklooster gevangen genomen door kolonel Francisco Verdugo, evenals de heer van Capres en de heer van Goingnies. Toen deze Capres als gevangene naar het Kasteel werd gebracht, zat Rhoda in een stoel onder de galerij van het Kasteel. Toen Capres aan hem werd voorgesteld, wilde deze hem met grote nederigheid (zoals gevangenen plegen te doen) uiterst eerbiedig groeten. Rhoda trapte hem echter met zijn voet tegen de borst, schold hem uit en riep: ‘Puto tradidor‘ [Spaans voor ‘vuile verrader’], oftewel: “Ik wens jou niet te groeten!” Daarna kwam Egmont binnen zonder hem eer te bewijzen of te groeten, tegen wie Rhoda zei: ‘Heer Graaf, uw ongeluk spijt mij.‘ Rhoda bleef daar nog lange tijd zitten als een dictator of alheerser.”

“Vanwege de hevige weerstand werd in Antwerpen het heerlijke en magnifieke stadhuis door de vlammen vernield. Zij staken er zelf de brand in. Zo brandde het van binnen helemaal uit, tot er niets meer dan de muren overeind stond. De brand verwoestte niet alleen de aangrenzende huizen, maar zelfs hele straten, zoals de Zoutrui, de Suikerrui, de Boterrui, de Kaasstraat, de Appelstraat, de Zilversmidstraat, de Braderijstraat, het Lievevrouwepand, het Zilverpand, met een deel van de Doornikstraat, de Hoogstraat, het oude Stadhuis waar allemaal nieuwe huizen stonden opgetrokken uit witte gehouwen steen en de Vlasmarkt: in totaal ruim vijfhonderd huizen.”

“Deze wijk van de stad werd beschouwd als de rijkste, want het waren allemaal winkelpanden vol allerhande handelsgoederen en koopwaar. De brandschade werd net zo hoog geschat als de materiële schade van de plundering zelf.”

De Spaanse Furie: de plundering van Antwerpen

Die plundering van Antwerpen begon nog in de avond van 4 november en zou vier verschrikkelijke dagen aanhouden. In mijn boek In opstand! vervolg ik het verhaal van George Gascoigne. Zoals deze Engelsman had gezien, gingen de Spaanse muiters van het zuiden naar het noorden van de stad. De eerste dag van de Spaanse furie in Antwerpen eindigde met verschrikkelijke taferelen in de Nieuwstad in het noorden van de stad. Tientallen mensen probeerden aan de oprukkende Spanjaarden te ontkomen door in het water te springen, maar een groot deel van hen verdronk. Ondertussen waren de branden in het stadhuis en op de Grote Markt overgeslagen naar de aanpalende straten tussen het stadhuis en de Schelde. Vele tientallen burgers kwamen om. Meer dan zeshonderd woningen gingen in vlammen op.

De rijke stad werd leeggeroofd. De meeste muiters beperkten zich tot stelen, maar op verschillende plaatsen kwam het toch tot geweld. Gascoigne verkeerde in shock. ‘Ik zie ervan af om de grote hoeveelheden drenkelingen te beschrijven in de nieuwe stadswijken. Ik zal geen opsomming geven van het oneindig aantal arme Duitsers die geheel verkoold lagen in hun harnassen. Ik zal ook niet de smerige en ontoonbare vuiligheid in elke straat beschrijven, met het geronnen bloed en de karkassen van mensen en paarden. Ik zal er ook niet over klagen dat de een geen begrafenis kreeg en de ander er niet in slaagde te vluchten, totdat de bedorven lucht eenieder begon aan te tasten die nog in leven was in deze stad. Waarom zou ik alle bijzonderheden van de ellende beschrijven? Maar ik kan en mag hier niet voorbijgaan aan het in brand steken en de verwoesting van het stadhuis, met alle afbeeldingen en papieren van de stad. Ook kan ik niet zwijgen over de beschamende verkrachtingen en de uitzinnige geweldplegingen die zijn begaan bij verscheidene vrouwen en maagden.’ Hij vernam het verhaal van een vader en moeder die gedwongen waren om hun dochter uit het klooster te halen, waarna ze bij hen thuis door twee Spanjaarden verkracht werd.

Emanuel van Meteren beschreef verontwaardigd hoe zijn geboortestad vernield werd:

“De eerste drie dagen begingen zij alle wreedheden om het geld van de burgers af te persen. Waalse van het krijgsvolk [staatse huurlingen] die ze nog verborgen of ondergedoken aantroffen, werden in de dagen daarna allemaal om het leven gebracht. Burgers lieten ze in leven als zij losgeld opbrachten. Maar aanzienlijke burgers die niet over veel geld beschikten, werden zwaar gemarteld, zowel mannen als vrouwen. Zij werden opgehangen, verbrand, gegeseld en erger, waarbij zelfs kinderen niet gespaard werden.”

“Koopwaar of inboedel konden zij nauwelijks te gelde maken, omdat zij geen middelen hadden om goederen af te voeren. Alle wegen waren immers meteen geblokkeerd door de troepen van de staatse krijgsvolk. Die met de meeste ervaring berekenden dat het contante geld dat zij daar buitmaakten meer dan veertig ton goud (oftewel twee miljoen kronen) bedroeg, nog afgezien van de juwelen, het zilverwerk en andere kostbaarheden. De brandschade werd op minstens hetzelfde bedrag geschat.”

“Zij vonden in de huizen van sommige weduwen wel negentigduizend gulden. En nog altijd kregen ze niet al het geld te pakken. Er waren sommigen die meer dan driehonderdduizend gulden aan contant geld bij zich hadden en er met een klein bedrag aan losgeld van afkwamen.”

“Van vrouwenschending [verkrachtingen] is niet veel vernomen, aangezien de soldaten de eerste nacht vermoeid waren van de strijd, flauw door honger en door de strijd verhit in het bloed geraakt. De dagen daarna werden zij volledig in beslag genomen door gierigheid [schraapzucht], waarna er snel orde werd hersteld vanwege het nieuws dat hen van buitenaf bereikte.”

“Een Spaanse kapitein genaamd Ortis kreeg het gevangenhuis, [Het Steen, dat Emanuel van Meteren nog kende van een jaar eerder, zie de proloog van Het verloren land], als zijn buit. Hij liet alle soorten gevangenen tegen losgeld vrij, zowel strafrechtelijke als civiele gevangenen. Zelfs Herdopers en anderen die afweken van de katholieke leer, ja zelfs predikanten van nieuwe en vreemde ketterijen, liet hij vrij, waarmee hij op Saraceense wijze de Spaanse inquisitie omzeilde.”

“Geen enkele natie van kooplieden — noch Spaanse, Italiaanse, Duitse als Engelse — werd gespaard. Toch hebben de Spanjaarden uiteindelijk weinig van deze roof meegenomen. Want meteen al op het open plein aan de Beurs en elders begonnen alle soorten soldaten te spelen [dobbelen] en te gokken. Gewone soldaten verspeelden op één dag wel tienduizend kronen, omdat ze geen raad wisten om de stad met hun schatten te verlaten, aangezien de stad ingesloten was.”

“Sommigen lieten de gevesten van hun rapiers [degens], poingiaarden [dolken] en korseletten [borstharnassen] uit puur goud smeden en lieten deze zwart vernissen om ze onopgemerkt mee te kunnen smokkelen. De goudsmeden mengden er echter soms de helft koper doorheen, om zo hun eigen verliezen terug te winnen.”

“Voornamelijk tijdens de eerste nacht hebben vele burgers uit noodzaak, nijd en vaderlandsliefde menige dappere, stoutmoedige en opmerkelijke daden verricht. Zij vermoorden veel Spanjaarden in hun huizen om het leven en beroofden hen, waarna ze de lichamen op straat tussen de doden wierpen; het ontbrak de burgers dan ook niet aan manmoedigheid of kloekmoedigheid, maar wel aan orde.”

“Zo werd de machtigste koopstad van Europa tijdens haar noodwendige tegenweer ingenomen, gedeeltelijk verbrand en geheel geplunderd door muitende Spanjaarden en hun helpers, die met koninklijk gezag tot rebellen waren uitgeroepen. Dit gebeurde via zijn Kasteel, waartegen de stad zich niet tijdig genoeg had verdedigd, dewijl de jonge Raad, verborgen baat en eigenbelang (de ondergang van elke gemeenschap), zo men meende, daar een rol in speelden. Deze aanval was sterk aangejaagd door Sancho d’Avila uit haat jegens Champigny. Beide heren beschuldigden elkaar over en weer heftig bij de koning [Filips II].”

“Deze plundering geschiedde op 4 november 1576 en werd door de inwoners en hun nakomelingen herinnerd en aangeduid als de Spaanse Furie.”

Hoe de Spaanse Furie de geschiedenis inging

Met zijn Historien schreef Emanuel van Meteren de Spaanse Furie niet alleen de geschiedenis in als een brute Spaanse aanval, maar ook als de onkunde van de verdedigers en het verraad van de Duitse huurlingen onder Cornelis van Eynde. Over deze laatste is amper iets te vinden in de literatuur, behalve in de bronnen zoals Van Meteren. Maar vooral de gewone huurlingen, burgers en stadsmilitie werden vergeten in zijn geschiedenis, die op het einde bijna werd voorgesteld als een conflict tussen de heren Champigny en d’Avila. Nooit stelde hij de rol van de stadsgouverneur in vraag of was hij kritisch over de afwachtende houding van de Zeeuwse vloot op de Schelde en hun aanvoerder Willem van Oranje. In mijn nieuwe boek Het verloren land analyseer ik op een kritische manier de geschiedenis van onze eerste geschiedschrijving.

Op 8 november 1576, na vier dagen van bruut geweld in Antwerpen, verkondigde de Spaanse legerleiding dat de plundering voorbij was. Het merendeel van de koninklijke troepen trok zich terug in de citadel of ging de stad weer uit. Hun achterstallige soldij was gecompenseerd. Het waren vooral de Antwerpse burgers die zich moesten schikken. Hun wapens moesten ingeleverd worden in het Sint-Michielsklooster, gestolen goederen opkopen was verboden en de versterkingen die waren opgeworpen tegen de citadel werden afgebroken. Maar het geweld duurde voort. George Gascoigne bezwoer: ‘De hele wereld is mijn getuige dat tien, zelfs twintig dagen later eenieder die, al dan niet vermeend, werd herkend als Waal, onmiddellijk, zonder enige vorm van proces, werd vermoord.’ Zo was hij op 11 november getuige ‘van drie arme zielen die voor mijn ogen vermoord werden omdat ze herkend waren als Walen’. De volgende dag verliet hij de vernielde stad, nadat hij er zelf verdacht van werd een Waalse huurling te zijn.

Bijna geen geschiedenis in mijn boeken In opstand! en Het verloren land is zo controversieel als die over de Spaanse furie in Antwerpen. Afhankelijk van de partij en de afstand in de tijd is er een heel ander verhaal te lezen. Zo voelden de burgers zich in de steek gelaten door de staatse soldaten die zich net voor het bloedbad hadden aangediend met de belofte om de stad te verdedigen. In de nacht voor de Spaanse aanval zouden de staatse troepen vertier hebben gezocht in de Antwerpse herbergen in plaats van mee te helpen aan de bouw van de verdedigingslinie.

Ook Frans Hogenberg gaf een verkeerd beeld van de feiten. Het lijkt of er geen gevechten waren en de verdedigingslinie beperkt was. Die was inderdaad niet klaar, maar het ging hier niet om een moordpartij zoals in Naarden in 1572. De Antwerpenaren hadden zij aan zij met Waalse en Duitse huurlingen, geuzen en Brabantse troepen fel tegenstand geboden. Hoe het kon dat de Spanjaarden ondanks het feit dat ze met de helft minder waren toch wonnen, lag vooral aan de onervarenheid van de verdedigers. Maar in de geschiedschrijving moest iemand de schuld krijgen.

Tot op de dag van vandaag is er discussie over het aantal slachtoffers. De schattingen lopen uiteen van enkele honderden tot meer dan achttienduizend, zoals de toenmalige Staten-Generaal beweerden. Soms is er een overdreven relativeringsdrang onder historici, die vanwege de toenmalige propaganda alle aantallen als zware overschattingen beschouwen. Een andere misvatting is dat er geen Spaanse slachtoffers vielen. In de strijd sneuvelden waarschijnlijk zo’n tweehonderdvijftig aanvallers en meer dan vijfentwintighonderd verdedigers, zoals ook Emanuel van Meteren meldde. In het spervuur en tijdens de daaropvolgende plunderingen, branden en moordpartijen stierven nog een onbekend aantal burgers en militairen. Een realistische schatting van het totale aantal doden is vijfduizend, waaruit blijkt dat Emanuel van Meteren vrij betrouwbaar in dit opzicht.

Zowat elke geschiedenis van de Lage Landen beschrijft de nietsontziende gruwelpraktijken die de koninklijke troepen aanrichtten. Het stadhuis was niet alleen in brand gestoken omdat schietende burgers zich erin verschansten. ‘Ook onze tempel en heilig instituut van het recht, een bouwwerk zo weelderig dat het behoort tot de wereldwonderen, ontsnapte niet aan de vlammen’, schreef het Antwerpse stadsbestuur verbolgen aan de Staten-Generaal. ‘De ellende verergert nog door het verlies aan charters, boeken, zegels, registers, rechtszaken en ontelbare andere documenten. Zelfs de papieren voor de arme weeskinderen zijn tot as gereduceerd.’

Het was een aanslag op alles wat het zestiende-eeuwse Antwerpen groot en vrij had gemaakt. Dat met het in 1565 voltooide stadhuis een van Europa’s architecturale hoogtepunten door vlammen was verteerd, was maar een van de culturele verliezen. Verschillende kunstwerken werden vernield door de brand of het spervuur, nog veel meer werden er geroofd. De zolder van de Beurs, waar te verhandelen schilderijen opgeslagen lagen, was bijna volledig leeggestolen. Glasramen werden versplinterd, beelden gebroken, kostbare boeken gingen verloren. Moedige mensen hadden nog een deel van het stadsarchief kunnen verbergen. De culturele schade beperkte zich niet tot het kunsterfgoed. Antwerpen was een centrum voor wetenschappers, drukkers en schrijvers. Ook hun geschriften en notities waren niet veilig voor de plunderingen en branden. Het leek of de muiters bewust de plekken van Antwerpse glorie uitkozen om hun overwinning te vieren, uitgezonderd de kerkelijke monumenten. De Beurs, voorheen het kloppend hart van de rijke handelsstad, veranderde in een ‘speelhol’ vol soldaten die zich tegoed deden aan de buitgemaakte drank en zich verkleedden in de kledij die ze gestolen hadden.

We moeten voorzichtig zijn met uitspraken over de slachtoffers en de wandaden, die door de propaganda van beide kanten werd overdreven dan wel geminimaliseerd. Toch staan in mijn boek In opstand! en de eerste uitgave van de Historien van Emanuel van Meteren de gruwelprenten van Frans Hogenberg als getuigen van de Spaanse furie in Antwerpen. Net als de eerste historici die deze geschiedenis verhaalden, was de graveur geen ooggetuige. Hij zat in Keulen, waar hij het nieuws uit zijn geboorteland in tekeningen verwerkte. Tot 1576 waren de gravures relatief sober gebleven, als overzichtelijke nieuwsberichten met duidelijke troepenbewegingen. De prenten hierboven waren uiterst schokkend en toonden de waanzin van de oorlogsterreur. Ongetwijfeld vonden enkele van de afgebeelde gruwelpraktijken plaats, maar Hogenberg gebruikte ook symboliek. Met het verkrachten van vrouwen verwees de kunstenaar bijvoorbeeld niet alleen naar het onrecht dat sommigen was wel degelijk aangedaan, maar ook naar de ‘verkrachting’ van de stad Antwerpen als geheel. Zo waren de brand van het stadhuis en de dronkenmannen in de Beurs ook symbolen. Door het weglaten van de muren toonde hij hoe gewone huishoudens het slachtoffer waren van de Spaanse oorlogsmisdaad. Hij wilde zijn lezers ervan overtuigen dat wat in Antwerpen was gebeurd iedereen aanging. Het was sensatie, met een hoger doel.

Opvallend was dat toen al het nieuws over het bloedbad tegenstrijdig was. Brusselaar Jan de Pottre schreef dat ‘ons volk in Antwerpen verslagen was’, wat opnieuw duidelijk maakte dat het niet zomaar een bloedbad was, maar echt een slag om de stad. Hij was goed op de hoogte. ‘Er waren wel drieduizend burgers dood gebleven, zowel vermoord als verdronken, en nog een zeer grote menigte van soldaten en kapiteins van volk die er ook in gebleven waren.’ Volgens zijn berichten was er een ‘groot verraad’ van de Duitse huurlingen.

In Amsterdam hoorde de katholieke broeder Wouter Jacobsz. op 12 november over ‘ernstige ongeregeldheden in Antwerpen’, waarbij ‘aan beide zijden veel dodelijke slachtoffers zijn gevallen’. Aanvankelijk vernam hij dat ‘de Spanjaarden hun toevlucht weer moesten nemen op het kasteel’. De volgende dag waren er ‘schokkende berichten over Antwerpen’. Toen bleek dat de Spanjaarden ‘veel gewelddaden gepleegd’ hadden. ‘Ze staken het stadhuis in brand en plunderden de stad.’ Op 14 november hoorde hij dat ‘veel burgers ongewapend en zonder kleren de stad verlieten met achterlating van al hun bezittingen’. De volgende dag schreef hij: ‘Men zei dat het in Antwerpen lang niet zo ernstig was toegegaan als men hier had rondgebazuind.’ Op 16 november was de overwinning opnieuw voor het staatse leger. ‘Ze trokken met tweeduizend man de stad binnen en dreven de Spanjaarden weer de stad uit en het kasteel in. Veel Spanjaarden zijn daarbij omgekomen.’ Kort daarna kwam het nieuws over ‘een kuil in Antwerpen die was gevuld met wel zesduizend doden’, die ook door Emanuel van Meteren werd beschreven.

De vernieling van de rijkste stad van de Lage Landen veroorzaakte een schokgolf in binnen- en buitenland. De geuzen zongen op de melodie van het Wilhelmus hun ‘Klaaglied over de vermaarde koopstad’. Zij hoopten begrip te krijgen voor hun opstand nu zelfs het grote Antwerpen ten onder was gegaan:

Word wakker, gij Nederlanden!

Word wakker, ’t is meer dan tijd!

Of gij komt ook in schande,

dus zie wel toe subijt

en wil met de prins getrouwe

verjagen ’t Spaans gebroed

of gij brengt u in rouwe,

Ja, om lijf en goed.

Neem toch een exempel

aan Antwerpen plezant,

welk was Europa’s tempel

van nering triomfant,

haar gelijke is nooit gevonden

van koopmanschappen schoon,

wat wil men veel vermonden,

het was werelds kroon.

Kinderen en vrouwen klachtig

zijn daar met hopen vermoord,

oud, jong, o God almachtig,

waar is ’t ook ooit gehoord?

Veel zijn er dood gedrongen

in deze wrede strijd,

veel ook in ’t water gesprongen

en verdronken subijt.

Oorlof [vaarwel] gij mensen alle,

merkt wel op dit beklag

en roept met groot geschalle

wee over zulke dag

en wilt u tot God keren,

rijk, arm, oud en groot,

opdat de Heer der Heren

ons houdt uit zulke nood.

Geef een reactie