Als hoofdstad van het gelijknamige Land van Aalst vervulde Aalst in het graafschap Vlaanderen een cruciale strategische en economische rol als grens- en oversteekplaats aan de Dender, vlak bij het hertogdom Brabant. Juist door die ligging tussen de grote machtscentra Gent en Brussel kreeg Aalst het zwaar in de jaren van de opstand. Nadat de Beeldenstorm van 1566 de godsdienstspanningen op scherp stelde, viel de stad op 25 juli 1576 ten prooi aan muitende Spaanse troepen, die Aalst als uitvalsbasis gebruikten om de omliggende streek leeg te persen en de weg vrij te maken voor de Spaanse Furie in Antwerpen.

Zie In opstand!, p. 337, 457, 461-463, 467, 468, 473, 480, 481, 501, 510.
Emanuel van Meteren schreef in zijn Historien over de inname van Aalst door de Spaanse muiters op 25 juli 1576:
“Zij trokken diezelfde dag, de 25ste van de hooimaand naar de stad Aalst, waar zij van ’s morgens tot ’s avonds schermutselden tegen de boeren die een brug over de Denne [Dender] bewaakten. Ten slotte werd de stad bij de rivier ingenomen, via een achterdeur van een gardehuis [wachthuis] of hof[stede] dat aan het water stond, hoog boven de grond, achter bij een toren of poort genaamd ‘de Verloren Kost’, waardoor men naar de beemden [weilanden] gaat. Deze achterdeur had een boer aan de Spanjaarden gewezen. Ze was lichtelijk [gemakkelijk] open te breken waarna de soldaten, elkaar opheffende, zijn binnengeraakt. Bovendien was de rivier daar met laag water in de zomer droogvoets begaanbaar, waardoor zij onverhinderd en zonder enig vermoeden van de burgers, van die kant door het huis in de stad gekomen zijn. Daar bleven omtrent dertig Spanjaarden en twintig burgers dood. De baljuw kreeg hiervan de schuld omdat hij de boeren te veel had vertrouwd. De Spanjaarden waren meer dan 2000 man sterk, hun jongens [legerknechten], tros en volgers niet meegeteld. Zij namen enkele voorname mensen in Aalst gevangen en hingen een officier van de koning op. Zij zeiden de magistraat van de stad ook veel toe. Zij [beloofden] Aalst geen overlast te bezorgen en en verschoonden [rechtvaardigden] hun daad door te stellen dat deze was geschied met bewilliging van de Raad van State. Dat ze daar hun soldij mochten ontvangen bleek ook uit een afgeworpen brief van Johan Falkonetta, kapitein van de lichte cavalerie. Aangezien er wel 170 parochies tot het Land van Aalst behoorden die nog niet afgelopen [geplunderd, gebrandschat] waren hebben zij terstond alle dorpen onder contributie [dwangbelasting] gesteld om zich zo in hun onderhoud te voorzien.”
In de jaren daarop sloot de stad zich aan bij de Verenigde Nederlanden, voornamelijk omdat ze tot het invloedgebied van de Gentse Republiek behoorde. In het voorjaar van 1582 dreigde de stad ingenomen te worden door Alexander Farnese. Door een list van de staatse gouverneur van Brussel wisten de Staten-Generaal toch de controle over de strategische stad te verzekeren.
Emanuel van Meteren over de staatse aanval op Aalst, 23 april 1582:
“Terwijl Parma voor Oudenaarde lag, hebben de troepen van de hertog van Brabant [Anjou] — omdat zij te onsterk [zwak] waren om het leger voor Oudenaarde te doen opbreken — alom vele aanslagen op steden gepleegd, zoals de Heer van La Rochepot op Kortrijk en die van Antwerpen op Aarschot, maar alles tevergeefs. Maar de Heer van Tyant, gouverneur van Ninove, de Heer Olivier van den Tempel, gouverneur van Brussel, kolonel La Garde en verscheidene anderen zijn, samen met de omliggende garnizoenen, op de 23ste van de Grasmaand [april] gezamenlijk opgetrokken naar Aalst. Zij hebben ’s nachts om 2 uur door het garnizoen van Liedekerke alarm laten maken aan de slechtst verdedigde zijde van de stad. Terwijl degenen van binnenuit allemaal daarheen kwamen om zich teweer te stellen, hebben de anderen aan de sterkste zijde van de stad, bij de Brusselse Poort naast de steenweg, gebruikmakend van planken en ander gereedschap, in de gracht drie ladders opgericht. Velen probeerden daar meteen moedig op te klimmen, hoewel zij eerst door het water moesten gaan dat tot aan hun borst reikte. De soldaten hielden hun [bussen] geweren geordend met de linkerhand op hun hoofd, de rapiers ontbloot in de rechterhand, staken de kruitflessen op hun stormhoeden [helmen], hielden de brandende lonten in de mond en klommen zo op de drie ladders. Degene die als eerste opklom was een kloek [moedig] soldaat, genaamd Koning, en hij werd doorschoten. Desniettegenstaande [desondanks] volgden de anderen: zij staken terstond de schildwacht dood en lieten alarm op de trommel slaan om degenen van binnen nog meer vrees [angst] aan te jagen. Die brandden nog twee stukken grof geschut op hen los, zonder noemenswaardige schade.”
“Toen er omtrent 200 waren opgeklommen, trokken zij de stad in naar een groot plein beneden de muren. Daar kwamen die van de stad hen kloekhartig [dapper] tegemoet en dreven hen tweemaal terug, waardoor de overigen bevreesd werden om op te klimmen. Maar nadat hun moed door kloeke vermaningen hernieuwd was, is een deel van hen naar de Brusselse Poort gelopen. Daar sneden zij de wacht de keel af en openden de poort samen met een buitenbrug. Hierdoor raakte het paardenvolk [de cavalerie] terstond binnen, wat degenen van binnen deed vluchten naar de Markt en het stadhuis, waar zij zich nog een half uur schietklaar hielden en teweerstelden. Ten slotte hebben zij om genade verzocht en gaven ongeveer 110 soldaten, afgezien van de burgers, zich gevangen. De overigen lagen hier en daar verslagen [gedood]. Sommigen ontliepen het [ontkwamen] en anderen sprongen over de muren, van wie er buiten nog velen gevangen werden genomen. Zo werden zij meester van de stad, waar ongeveer 200 mannen — zowel soldaten als burgers — dood bleven, onder wie zeventien papen [priesters] van de hoofdkerk waren. Van de troepen van de hertog [Anjou] bleven er ongeveer 25 dood, onder wie een vaandeldrager en de voornoemde Koning. Binnen werden de gouverneur, de Heer van Mouchron, met vier kapiteins gevangengenomen. Heer Pieter Aloys, abt van Ninove, werd gevangen door een Brusselse krijgsman, Paulus Karlier, die als tiende op de Markt was. Zijn losgeld, samen met twee van zijn monniken, werd vastgesteld op 4000 guldens. De Heer van Tyant, uit het Huis van Merode, werd daar gouverneur en kreeg een behoorlijk garnizoen.”
Amper een jaar later begon de Engelse huurlingen uit onvrede over achterstallig soldij te morren. Toen hun commandant naar Antwerpen afzakte om hulp te zoeken, onderhandelden ze stiekem de overgave van de stad aan de Spaanse landvoogd Alexander Farnese.
Zie Het verloren land, p. 39, 47, 93, 106, 127, 217, 446, 545.
Emanuel van Meteren over het verraad van Aalst in het najaar van 1583:
“Het garnizoen van Aalst, aan het muiten omwille van hun [achterstallige] betaling, heeft meegemaakt dat die van Gent — op wie de last rustte [om hen te betalen] — die niet alleen hebben geweigerd, maar hen bijna van honger lieten vergaan. Bovendien brachten zij hen nog in het achterdenken dat men hen daar [in Aalst] met geweld uit zou slaan. Degenen [van het garnizoen] waren meestal Engelsen, een volk dat zich moeilijk met armoede kan behelpen. Zij hebben ten slotte naar de vijand geluisterd, door het bestek [toedoen] van [de prins van] Chimay, en dat voordat hun overste, Jan Norrits [John Norris], last [machtiging] kon krijgen van de Staten-Generaal voor hun betaling. Omdat dit slecht te pas gebracht werd [onhandig uitviel] en te laat kwam, hadden zij een manier gevonden om het Nederlandse krijgsvolk, dat er ook lag, te verjagen. Toen hebben enige kapiteins, zoals Pygot, Vincent, Taylar, Welshe en andere Engelsen, met de vijand overeenstemming bereikt om de stad aan hem over te leveren, mits hij hun betaalde wat er nog achterstallig was — zijnde ongeveer 30.000 pistolen. Hierdoor werden de gewone soldaten overgehaald. Nadat ze dit geld ontvangen hadden leverden zij de stad in het begin van de Wintermaand [december] over. Daar werden terstond Waalse troepen binnengebracht. De Engelsen begaven zich gedeeltelijk in dienst van Parma en trokken naar het Spaanse leger te Eeklo. Maar zij werden niet vertrouwd, wat hen grotendeels deed verlopen [deserteren].”