Vanavond kijk ik samen met jullie naar de eerste aflevering van de VRT-reeks Breendonk. Door dit ambitieuze televisieproject is er tussen het lanceren van mijn nieuwe boek Het verloren land ook opnieuw heel wat aandacht voor mijn zevende boek uit 2019: De laatste getuige. Zeven jaar geleden interviewde ik Louis Boeckmans kort nadat hij zelf zijn oorlogsmemoires had neergepend. Het was het begin van een bijzondere vriendschap en een uniek boek waarin Louis vertelde over hoe hij de kampen overleefde en ik de historische context gaf.
In 2021, kort voor zijn overlijden, werd Louis geïnterviewd door Kevin Janssens en Filip Lenaerts ter voorbereiding van hun serie Breendonk. Hieronder geef ik een overzicht van hoe Breendonk in verschillende van mijn boeken een rol speelde. Voor meer achtergrond verwijs ik graag naar wat recent door experten Patrick Nefors en Dimitri Roden verschenen is. Zie dit overzicht bij Standaard Boekhandel.
Louis Boeckmans
Ik sprak deze ochtend Lydia Boeckmans, de kleindochter van Louis en gids in Breendonk: “Ik verwacht veel van de serie. Een half jaar voor onze Va stierf kwamen Kevin en Filip een dag op bezoek. Hij heeft echt genoten van dit gesprek. Door die stomme corona was hij wat eenzaam, ook omdat al zijn bezoeken aan scholen om er te getuigen waren afgelast. Na dat gesprek vond hij opnieuw de levensmoed en maakte terug plannen om na het opheffen van de maatregelen weer te gaan spreken in scholen. Het heeft niet meer mogen zijn… hij is in juli dat jaar overleden. De serie voelt ook een beetje aan als een eerbetoon aan zijn moedige getuigenis en vooral aan alle slachtoffers van het nazi-regime. Als gids heb ik eenmaal de indrukkende set mogen bezoeken.”


Het was niet de eerste keer dat Louis tv-makers inspireerde. Een jaar eerder leidde hij Arnout Hauben rond in Breendonk. Lees er via deze link meer over.



Samen met zijn broer Jef belandde Louis op 24 juli 1944 in Breendonk. In onderstaand fragment vertelt Louis over hun aankomst:
Louis en Jef bleven in Breendonk tot 8 augustus 1944. Elke dag was een hel. Louis getuigt hieronder over het vreselijke lot van een van zijn medegevangenen:
Eva Fastag
Ook de andere ‘laatste getuige’ Eva Fastag kwam in Breendonk terecht. Voordat ze als typiste twee jaar lang dwangarbeid uitvoerde in de Dossinkazerne, werd ze als Joodse gearresteerd in Antwerpen-Centraal en naar Breendonk gevoerd. Omdat deze episode van de Jodenvervolging in ons land vaak onderbelicht blijft, publiceer ik hieronder een fragment uit het boek.
Eva getuigt in ons boek (p. 76-78) hoe ze na haar arrestatie in Antwerpen-Centraal op 22 juli 1942 werd weggevoerd naar Breendonk:
“Ik herinner me dat we aankwamen bij een groot betonnen gebouw. Er was strenge bewaking en ik zag een versperring van prikkeldraad. De Duitsers haalden ons hardhandig uit de vrachtwagens. Over een lange weg wandelden we tot een grote openstaande poort. Daarachter zag ik een benauwende lange gang. De bewakers duwden ons naar binnen en plaatsten ons met onze gezichten tegen de donkere, vochtige muren. Zo moesten we lange tijd blijven staan, zonder iets te zeggen. Na die martelgang brachten ze ons naar een bureel. In een lange rij schoof ik aan tot aan een tafel. Ik moest alles wat ik bij me had afgeven, maar dat was praktisch niets. De persoon achter de tafel vroeg mijn naam, leeftijd, beroep… Het was daar zo akelig. Nog steeds had ik er geen idee van waar ik was beland. Net als de andere vrouwen werd ik gefouilleerd om te kijken of ik niets verdachts bij mij droeg. Daarna brachten de Duitsers mij samen met tientallen andere vrouwen naar een zaal waar houten stapelbedden met drie verdiepingen naast elkaar stonden. We wisten niets over de andere gevangenen in het gebouw, maar er waren zeker nog zalen met andere gearresteerde Jodinnen.
Die eerste nacht kregen we niets meer te eten, er werd ons enkel een smakeloos goedje voorgeschoteld dat voor koffie moest doorgaan. De volgende ochtend werd de deur geopend en beval een bewaker een tiental vrouwen naar buiten te komen. Zij moesten in de keuken helpen, want door de razzia hadden de Duitsers plots veel meer mensen te voeden. Toen de geselecteerde vrouwen terugkwamen van hun taak, hadden ze wat voedsel meegekregen. Ze probeerden het een beetje te verdelen, maar het was te weinig. Die tien hadden die dag als enigen genoeg te eten. De tweede dag, toen de deur weer openging, probeerde iedereen naar de keuken te ontsnappen. Zo ging dat elke ochtend. Ik werd nooit gekozen. Achteraan de lange zaal waren er vensters. Daar had ik mij geïnstalleerd op het bovenste bed. In onze overvolle zaal stond een emmer, daar moesten we het mee doen als toilet. Eenmaal per dag maakten we een kleine wandeling op de koer. De rest van onze tijd zaten we opgesloten. Alle communicatie met de bewakers verliep in het Duits. Elke andere taal was verboden. Nooit wist ik het uur, nooit kreeg ik nieuws. We deden daar niets, enkel wachten. Soms hoorde ik geschreeuw van in de gang. ’s Ochtends mochten we ons een beetje wassen in een lokaal terwijl de ss’ers toekeken. Het enige wat ik van de bekende martelpraktijken heb gezien, zag ik door het venster van onze zaal toen gevangenen in rijen over het binnenplein wandelden. Ze werden geslagen met stokken omdat ze niet snel genoeg waren.
De dagen na onze aankomst werden nog andere opgepakte Joden binnengebracht. Er waren enkele heel jonge meisjes bij, nog kinderen. De Duitsers waren dus gestart met arrestaties van Joden zonder onderscheid: mannen, vrouwen, bejaarden en zelfs kinderen moesten eraan geloven. Er waren mensen bij die met de trein naar de zwarte markt waren geweest. Zij hadden wat extra proviand bij zich, maar ik niet. Ik had enkel de kleren die ik aanhad en mijn papieren. Op een paar dagen tijd verloor ik dan ook enkele kilo’s. Ik vroeg maar steeds tevergeefs aan de bewakers of ik mijn ouders kon verwittigen dat ik daar was. Niemand wist wat er ons zou gebeuren. We konden enkel het slechtste vermoeden. Het enige wat we wisten, was dat er al een tijdje werkkampen in Noord-Frankrijk waren. Zouden ze ons als vrouwen ook naar daar sturen?
De vijfde ochtend stond ik opnieuw aan de deur te wachten met anderen om ook in de keuken te gaan werken. Maar ditmaal vroegen ze of er vrouwen waren die Duits kenden en konden typen. Met een tiental andere meisjes, onder wie Klara Sander en Anna Lande, stelde ik mij kandidaat. De Duitsers noteerden onze namen. Sommige vrouwen begrepen niet waarom we onze naam hadden opgegeven. Ze dachten dat we misschien naar Duitsland zouden gevoerd worden om Duitse werkvrouwen te vervangen. Maar daar werd gebombardeerd, dat vermoedden we allemaal. Andere waarschuwden voor werkkampen in Polen. Iedereen wist dat er daar iets ergs met de Joden gebeurde, maar wat juist… Ik redeneerde dat ik meer kans maakte om te overleven als ik nuttig was. Ik hoopte dat ze ons brieven zouden laten schrijven.
Rond tien uur ging de poort van onze zaal open. De ss’ers riepen de namen af van zij die zich hadden opgegeven. Ik stond doodsangsten uit, want de andere vrouwen hadden me bang gemaakt. Maar we hadden geen keuze, we moesten mee. We verlieten het akelige gebouw en de Duitsers zetten ze ons opnieuw op een vrachtwagen. Op onze vragen kregen we geen enkel antwoord. Pas veel later kwam ik te weten dat ik vijf dagen in het Fort van Breendonk had gezeten.”
Zo was onze oorlog
Voor mijn boek Zo was onze oorlog stuurde ik honderden jongeren op pad om interviews met oorlogsgetuigen af te nemen? Dit unieke project resulteerde in mijn boek waarin alle mogelijke thema’s over de Tweede Wereldoorlog in ons land behandel aan de hand van rechtstreekse getuigen. Zo kwam er ook een bijzonder stuk over Breendonk, dat je hieronder integraal kan lezen.
‘In ’42 ben ik bij de weerstand gegaan’, zegt Paul (°1926, Edegem) trots. ‘Ik kende enkel ons groepje van vijf geleid door een vrouw, want als we meer mensen kenden, was dat gevaarlijk. Op 6 januari ’43 ben ik aangehouden door twee Gestapo’s. Ik had briefjes op zak die we uitdeelden met daarop de boodschap “Werk niet voor Hitler”. Ieder van ons werd in een aparte cel ondergebracht, tot wij, de vier jongsten, aan de Gestapo op de Belgiëlei werden uitgeleverd. De laatste weken waren de ondervragingen altijd op huisnummer 15. Als ik daar vandaag voorbijrijd, denk ik eraan. De beulen hebben aan mijn nagels gezeten. Daarna zat ik opgesloten in de Begijnenstraat. Het was daar precies een circus: allemaal cellen in een cirkel. Tijdens de strenge winter van ’43 moesten wij een drietal keer per week op de koer turnen in onze onderbroek. Zo liep ik een longontsteking op. Na twee maanden, ik vergeet het nooit, riepen ze van beneden: “159, raus! Zu Hause!” We verstonden altijd maar half wat ze bedoelden, ik dacht dat ik naar Breendonk gebracht zou worden. Zonder dat ik hun woorden vatte, stond ik buiten terwijl die Duitsers riepen: “Raus! Raus!”’ Paul was na wekenlange martelingen en opsluiting plots vrij: ‘Ik scheurde van de honger en probeerde een blik sardienen te openen, maar met mijn nagels was dat verschrikkelijk pijnlijk. Door met mijn schoen op het blikje te kloppen is het toch gelukt. Omdat ik had vastgezeten, belandde ik op een zwarte lijst en vanaf het moment dat ik nog eens over de schreef zou gaan, vloog ik terug de bak in. Daarom dook ik onder met een vriend. Wij spanden een ijzeren draad van de ene slaapkamer naar de andere, daaraan bevestigden we conservenblikken, zodat we met elkaar konden bellen. Als we buitenkwamen, hadden we valse papieren op zak.’
Breendonk was ook tijdens de oorlog het bekendste kamp. Augustinus (°1916, Wijnegem) leerde de plek toevallig kennen: ‘Mijn broer en ik maakten op een dag een fietstochtje toen we plots op een prikkeldraad botsten. Zwaarbewapende Duitsers hielden er de wacht. Achter de draad zagen we mensen aan het werk, allemaal in dezelfde plunje. We keken stomverbaasd. De uitbater van een nabijgelegen winkel merkte ons op en siste in mijn oor: “Maak dat je hier wegkomt of seffens zit je daar ook binnen!”’ Maurice (°1931, Willebroek) woonde vlak bij het kamp. ‘Die gevangenen hebben de begroeiing achter onze tuin weggedaan’, vertelt hij terwijl hij door het venster wijst. ‘Wat ze moesten doen was nutteloos, echte dwangarbeid.’ Vanachter dat venster zag Maurice elke dag wat er zich rondom de gevangenis afspeelde. In ’42 moest zijn broer onderduiken als werkweigeraar: ‘Achteraan in onze tuin, dus vlak bij het fort van Breendonk, hebben we een put gegraven. Mijn broer heeft daar bijna twee jaar in gezeten. Er was afwatering en luchtpijpen tot aan de gracht. Ik heb mijn broer altijd gekend als een soort van kluizenaar met een lange baard, ook al was hij amper achttien jaar. Hij had daar een matras en een petroleumlamp, meer niet. Voor hem konden we geen rantsoenzegeltjes aanvragen, dus ik moest elke dag voor school bij een kolenboer en na school bij een landbouwer gaan werken. Zo hadden we wat extra en kon mijn broer ook eten. Ik gaf hem zijn eten door een kleine opening in de grond, waarna ik er nieuwe graszoden op legde en het gat met takken bedekte. Maar daardoor heb ik geen jeugd gehad.’ Een keer beleefde Maurice de schrik van zijn leven: ‘Een SS’er kwam met een herdershond zoeken naar gevangenen die uit Breendonk waren ontsnapt. Ze stonden vlak op de plaats waaronder de schuilput was. Maar het regende pijpenstelen, waardoor de hond niets rook. Dat heeft het leven van mijn broer gered.’
Zo was onze oorlog is alleen nog maar tweedehands verkrijgbaar. Meer info over het boek en het project via deze link.
Elke dag angst
De V-bommenterreur in 1944 en 1945 zou je niet meteen met Breendonk verbinden. Toch speelde het kamp een cruciale rol in de complexe geschiedenis van de Duitse vergeldingsaanvallen die in het laatste oorlogsjaar nog meer dan 8000 dodelijke slachtoffers maakten in België. Voor een groot deel van de gevangenen was Breendonk immers een doorgangskamp. Vooral vanaf het voorjaar van 1944 (dus kort voor de bevrijding) werden vele honderden weggevoerd met transporten naar Buchenwald: Zo vertrokken op 8 mei 1944 een konvooi met 967 gevangenen (onder wie 920 Belgen), op 23 mei 1944 een konvooi met 851 gevangenen (onder wie 893), op 19 juni 1944 een konvooi met 574 gevangen (onder wie 536 Belgen) en op 10 augustus 1944 een konvooi met 827 gevangenen (onder wie 789 Belgen) van Breendonk naar Buchenwald. In dat beruchte Duitse concentratiekamp werden vele Belgen na een tweetal weken verder weggevoerd naar een van de kampen van Dora. Dit was het rampencomplex waar duizenden gevangenen dwangarbeid moesten verrichten in tunnels waar ondergrondse fabrieken voor de V1-bommen en V2-raketten gebouwd werden. Meer dan 26.000 kampgevangenen kwamen daarbij om, onder hen tussen de 1250 en 1400 Belgen.
Een fragment uit Elke dag angst (p. 367):
“De laatste helse maanden in Dora verliepen op het ritme van de geruchten over de geallieerde opmars. Daarom kwam het nieuws over het Ardennenoffensief en de V-bommen op onder meer Cinema Rex bijzonder hard aan bij de gevangenen in de Dora-kampen. Bovendien kwamen in de laatste periode de meeste Belgen om. De Antwerpse romanschrijver Robert du Bois de Vroylande (°1907) was op 18 februari 1944 gearresteerd in zijn woning in Leuven omdat hij op een lijst stond met mensen die van anti-Duitse gevoelens verdacht werden. Na enkele maanden Breendonk arriveerde hij met het konvooi van 8 mei in Ellrich. Léon Halkin (°1906) herinnert zich dat de man vaak aan zijn kinderen thuis dacht en zich sterk hield door ‘fabels te reciteren’. ‘Onze zonen en dochters groeiden ver van ons op, zonder ons’, herhaalt Halkin de woorden van zijn vriend. ‘Wij, volwassenen, hoopten ze weer te zien ongeveer zoals we ze verlaten hadden, maar kinderen veranderen al te vlug. Zouden we zelfs voor ons eigen gezin ooit vreemden worden?’ De schrijver overleed op 6 december in kamp Ellrich.”
Pijnlijk cynisch was het feit dat de V-bommen, waarvoor de gevangengenomen verzetslieden in Dora de fabrieken moesten uitgraven, niet alleen op Antwerpen en omgeving vielen, maar ook vlakbij Breendonk, de plaats waar de helletocht voor vele gearresteerde verzetslieden was begonnen. Hieronder een verslag van een van de inslagen begin 1945:



[like] Dehond Marc reacted to your message: ________________________________