Hieronder vind je een reeks van historische bronnen met telkens de belangrijkste informatie erbij.

Als je een document gebruikt, graag verwijzing naar http://www.pieterserrien.be

Zelf gebruikte in volgende verzamelingen van bronnen:

  • PHILIPS, Jack, Historische teksten ca 1500 – heden, internet, 2008 (http://users.skynet.be/historia/).
  • DHONDT, Rik, Ons verleden in documenten, Lier: Van In, 1978.

MIDDELEEUWEN

Volksverhuizingen

Romeinse historicus over de Hunnen (4de eeuw)

“Hun wreedheid tart elke verbeelding: met een ijzer kerven zij diepe wonden in de wangen van de pasgeborenen, zo krijgt men nooit een baard, wat met zich mee brengt dat ze baardeloos en zonder gratie oud worden. Het lijken wel eunuchen. Ze hebben een gedrongen lichaam, robuuste ledematen en een dikke nek. Ze zijn zo breedgeschouderd dat men er schrik van krijgt… De Hunnen koken hun eten niet, ze bereiden het ook niet. Zij eten slechts wilde wortelen en het rauwe vlees, van om het even welk dier, dat ze verwarmen tussen hun dijen. Dit doen ze zonder van hun paard af te stijgen. Ze hebben geen schuilplaatsen, geen huizen en ook geen graven… Men zou kunnen denken dat zij op hun paard genageld zitten. Zij stijgen niet af, noch om te eten, noch om te drinken. Zij slapen, leunend op de magere nek van hun paard…”

Info over het document: Dit is een fragment uit een van de 31 boeken van de Romeinse historicus Ammianus Marcellinus (330-395). Hij was een bekend wetenschapper in de vierde eeuw, die ook als officier diende in veldslagen in Gallia en het Midden-Oosten. Dit fragment werd vertaald naar het Frans door historicus J. Le Goff in zijn boek La Civilasationde l’accident Médiéval (Parijs, 1967). In 1974 werd het opgenomen in Ons verleden in documenten, p. 387.

NIEUWE TIJD

Ontdekkingsreizen

Spaanse zeeman over het eerste contact met inheemse Brazilianen (1500)

“Ze zijn donker van huid, enigszins roodachtig, met mooie, welgevormde gezichten en mooie neuzen. Ze lopen naakt, zonder enige kleding. Het maakt hun niets uit of ze hun schaamte bedekken of laten zien, en hierin tonen ze dezelfde onschuld als waarmee ze hun gezicht laten zien. Van beide jongemannen was de onderlip doorboord en in het gat had elk van hen een wit botje van echt bot, ter lengte van een handbreedte, zo dik als een weefspoel, aan het uiteind gepunt als een priem. Ze steken het van binnenuit door de lip, en het stuk tussen de lip en de tanden is gevormd als de toren van het schaakspel, en het zit daar zo vast dat het hen niet hindert, noch belemmert bij het spreken, eten en drinken. Hun haren zijn sluik, en ze waren geschoren, hoogop, helemaal kaal tot ver boven de oren. En een van hen droeg onder zijn helm van haar, van de ene slaap naar de andere, rondom het achterhoofd, een soort pruik van gele vogelveren, ter lengte van een onderarm, heel dicht en aaneengesloten, die zijn nek en oren bedekte. Dewelke pruik veer voor veer aan de haren was geplakt met een zachte stof gelijk was, maar dat was het niet, waardoor deze pruik heel rond was en heel dicht, en een geheel vormde, zodat hij kon worden afgenomen zonder te worden losgeweekt.”

Info over het document: Een van de bemanningsleden van Cabral beschrijft de inheemse Brazilianen.

Humanisme

Copernicus en het heliocentrisme (1543)

“Na lang onderzoek ben ik eindelijk tot de overtuiging gekomen: dat de zon een vaste ster is. Dat ze omgeven is door planeten die om haar heen draaien en waarvan zij het middelpunt en de fakkel is; dat er behalve de hoofdplaneten nog planeten van de tweede orde zijn, die eerst als satellieten rond hun hoofdplaneten draaien en samen met hen rond de zon; dat de aarde een hoofdplaneet is, onderworpen aan een drievoudige beweging; dat alle verschijnselen van de dagelijkse en jaarlijkse beweging, de regelmatige terugkeer der seizoenen, alle wisselvalligheden van het licht en van de temperatuur van de atmosfeer die ermee gepaard gaan, het resultaat zijn van de wenteling van de aarde om haar as en van haar periodieke beweging rond de zon; dat de schijnbare loop der sterren slechts een optische illusie is, die teweeggebracht wordt door de werkelijke beweging van de aarde en door de schommelingen van haar as; dat tenslotte de beweging van de planeten aanleiding geeft tot twee soorten verschijnselen, die men zeer goed moet onderscheiden: de ene soort is het gevolg van de beweging van de aarde, de andere soort van de beweging van deze planeten rond de zon. Op die manier heerst de zon, als op een koningstroon gezeten, over heel de sterrenfamilie die haar omringt.”

Info over het document: Vertaald in VERRELST, W., De renaissance. Documentatiemappen geschiedenis en maatschappij, Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1984, 34. Oorspronkelijke titel: COPERNICUS, Nicolaas, De revolutionibus orbium coelestiumBazel, 1543.

Opstand van de Nederlanden

Brief van een Antwerpse magistraat over de Hagenpreken (1566)

“Wij willen niet nalaten u ervan te berichten, hoe gisterennamiddag een vergadering is gehouden in het klein heesterbos van heer Hendrik van Berchem. Rond één uur kwam uit het kwartier van wijlen de heer Michiel van der Heyden een man, gekleed met lange mantel, vergezeld van tien tot twaalf personen met rapieren. Ze bezetten het veld, bezaaid met boekweit, drie bunders groot, dat Pauwels Raet in huur heeft, waartegen de huurder, wegens zijn schade, zich verzette. Desniettegenstaande hebben ze hetzelve, met meer bijgekomen volk, ingenomen en gans vertreden, zeggende aan Raet dat men hem zijn schade vergoeden zou. Maar toen de hoop fel aanwaste, vertrokken ze naar het vermelde heesterbos, stellende hun wacht op de vier hoeken. Waar een paar heesters bijeenstonden, waartegen men leunen kon, sloegen ze zoden op, en daar verscheen hun predikant, hebbende aan zijn zijde een flesje, waaruit hij tijdens het prediken soms dronk. Er waren ook zeven of acht personen te paard, één met twee zinkroeren aan zijn zadel, de anderen met rapieren. Achter het bos stonden vier heirbaanwagens met huiven, ledig, de paarden staande in het boekweitveld, door enkele jongens bewaakt, waarvan één met rapier. Naar wij konden vernemen waren de toehoorders meestendeels Walen en daaronder veel Fransen. Met de toeloop van volk van Berchem en elders, vanwege de nieuwigheid, was de hoop tenslotte wel vier- tot vijfduizend man sterk; meestal mannen, maar ook vrouwen, zelfs met jonge kinderkens die zij zoogden. Sommigen klommen op de heesters. Toen de predikant begon, zetten ze hem een vierkante bonnet op het hoofd. De vergadering duurde tot vijf uur. Soms werd er ook gezongen. Zijn ook gezien twee jonge manspersonen zonder baard, met twee jonkvrouwen, begeleid door drie of vier meiden. Een man, staande negen tot tien roeden van de predikant, verdietste voor hen het sermoen, omdat zij geen Waals verstonden. In het scheiden zegde de predikant dat men zaterdag naastkomend ook in het Nederlands prediken zou.”

Info over het document: Ik vond deze bron op de website van Jack Philips. De juiste verwijzing van de vindplaats van de bron is VERRELST, W., Reformatie en katholieke herleving 16e-18e eeuw. Antwerpen-Amsterdam: De Nederlandsche Boekhandel, 1974, 14-15.

Engelsman over de beeldenstormers in Antwerpen (1566)

“Het verwonderlijkst is echter, dat ze zo weinig in aantal waren, want ik zag er in sommige kerken niet meer dan tien of twaalf die braken, meestal kwajongens en ander gespuis. Er stonden echter veel toekijkers en misschien wel aanstichters bij. In de stad zelve was alles zo rustig en stil, alsof er niets in de kerken te doen was geweest. De lieden stonden gekleed in hun deuren en zagen de beeldenstormers van de ene kerk naar de andere trekken, ‘vive le geus’ schreeuwende en hun toeroepend zich maar stil te houden. Zodat ik dan ook algauw, met nog wel tienduizend anderen, de kerken ging rondlopen om te zien wat er was voorgevallen.”

Info over het document: Een citaat gevonden in het boekje De Beeldenstrorm in de reeks Verloren verleden, geschreven door Herman Kaptein in 2002 (p. 54). Het toont aan dat de Beeldenstorm helemaal niet zo breed gedragen was als de Spanjaarden de Nederlanders verweten.

Engelse geschiedenis

Grote brand van Londen (1666)

“De vuurzee was zo gigantisch en de mensen zo opgewonden, dat ze vanaf het begin nauwelijks aanstalten maakten om het vuur te doven; ik weet niet of ze moedeloos waren of geloofden in het noodlot. De mensen schreeuwden en klaagden, liepen doelloos rond zonder zelfs pogingen te doen om hun goederen in veiligheid te brengen. Ze zagen verbijsterd toe hoe alles brandde om hen heen. Het was voor hen zo’n vreemde gewaarwording om alles in vuur te zien staan, in de breedte en de lengte: de kerken, openbare gebouwen, wisselkantoren, ziekenhuizen, monumenten en ornamenten. De vlammen sprongen op wonderbaarlijke wijze over van huis op huis en van straat naar straat op grote afstand van elkaar. Door de hete lucht, na een lange periode van fraai en warm weer, vloog alles wat ontvlambaar stond in brand. Het water van de Thames was overdekt met goederen; schuiten en scheepjes, beladen met huisraad dat naar de overkant werd gebracht, waar de oever mijlenver werd bedolven onder de meest uiteenlopende goederen en tenten werden opgesteld door bewoners die dakloos waren geworden. Het was een rampzalig schouwspel, zoals de wereld dat gelukkig nog nooit eerder had gezien. De hele horizon stond in brand, als een brandende oven, en het vuur bleef nog nachtenlang zichtbaar vanaf een afstand van veertig mijlen.”

Info over het document: Dit is de getuigenis van John Evelyn, opgenomen in het bekende dagboek van Samuel Pepys (1633-1703). Vier dagen lang (2-5 september) trok een metershoge vuurhaard zijn allesvernietigende spoor door de Britse hoofdstad. Miraculeus lieten slechts zes mensen het leven. 13.000 gebouwen – vooral de vele middeleeuwse woningen in het stadscentrum – gingen in de vlammen op, zo’n tachtig procent was weggevaagd.

TWEEDE WERELDOORLOG

Burgers

 

Militairen

Amerikaanse majoor Dick Winters over het Ardennenoffensief (december 1944)

“Het leven aan de frontlinie tartte elke beschrijving. Het was bitter koud en de grond was keihard bevroren. Elke soldaat had een hekel aan het graven van schuttersputjes, maar het moest nu eenmaal gebeuren. Jammer genoeg waren we met zoveel haast naar Bastogne gebracht dat het veel soldaten aan het gereedschap ontbrak. En het was gruwelijk koud, de koudste winter in dertig jaar. Je leeft in een schutterputje. Je hebt natte voeten en je wriemelt je tenen om te voorkomen dat ze bevriezen. Ziekte en loopgraafvoeten bleven onze gelederen uitdunnen. Toen het weer nog slechter werd, leidden de fysieke uitputtin en mentale vermoeidheid tot een ongewoon groot aantal gevallen van wat tegenwoordig oorlogsneurose wordt genoemd. Wat stress betrof, had ik in Normandië veel meegemaakt en in Nederland ook wel het een en het ander, maar in Bastogne was het veel erger. Dat kwam door de kou, het slaapgebrek en de voortdurende artilleriebeschietingen. Als je iemand ziet bezwijken aan oorlogsneurose, gooit hij meestal zijn helm op de grond en maakt hij zijn haar in de war. Ik weet niet of hij dat bewust of onbewust doet, maar een soldaat grijpt naar zijn hoofd en masseert het, schudt het heen en weer, en dan is hij weg. Je kunt tegen hem zeggen wat je wilt, maar hij kan je niet horen; Het komt van het ene op het andere moment opzetten. Ik denk dat iedereen die Bastogne heeft overleefd, de rest van zijn leven met littekens heeft rondgelopen. Misschein is dat een factor die tot de ongewoon hechte band of brothers tussen de para’s van het 101ste heeft geleid.”

Info over het document: Majoor Dick Winters kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog de leiding over de Amerikaanse Easy Company, bekend van de televisieserie Band of Brothers. Dit fragment komt uit zijn autobiografie Voorbij Band of Brothers (Uitgevrij M, 2006). Tijdens het Ardennenoffensief was zijn Company gelegerd in Foy, even ten noorden van Bastogne.

 

Advertenties